DOI: 10.5553/TvV/187279482020019203002

Tijdschrift voor VeiligheidAccess_open

Artikel

Waarom melden burgers?

Individuele, sociale en institutionele drijfveren voor meldgedrag in het verleden en toekomstige meldingsbereidheid

Trefwoorden reporting behavior, crime, citizen participation, psychological drivers, response efficacy
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Wendy Schreurs. (2020). Waarom melden burgers?. Tijdschrift voor Veiligheid (19) 2-3, 8-28.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • Meldingen door burgers zijn een grote bron van informatie voor de politie. Buurtbewoners weten vaak goed wat zich in hun buurt afspeelt en welke situaties verdacht zijn. In dit onderzoek wordt via een online vragenlijstonderzoek onderzocht wat burgers drijft om melding te maken bij de politie. Dit is een van de eerste onderzoeken waarin gekeken wordt naar een combinatie van een breed scala aan individuele, sociale en institutionele drijfveren (voortbouwend op de Community Engagement Theory) voor meldgedrag en meldingsbereidheid in het verleden. Uit de resultaten blijkt dat er een positieve samenhang is tussen risicoperceptie, self-efficacy, burgerparticipatie en legitimiteit met hoe vaak respondenten in het verleden een melding bij de politie hebben gedaan. Verder bleek er een positieve samenhang te zijn tussen self-efficacy, response efficacy, het vertrouwen in de politie en politielegitimiteit met de bereidheid om in de toekomst te melden. Uit een open vraag naar welke redenen burgers zelf voornamelijk aangeven om wel of niet te melden blijkt response efficacy (het idee in welke mate melden effect heeft op het verhogen van de veiligheid en het verminderen van criminaliteit) het vaakst genoemd. Daarnaast werd de reden om te melden vanuit altruïstische waarden (rechtvaardigheid, om de samenleving te helpen en de daders bestraffen) ook vaak genoemd. Met de resultaten uit dit onderzoek kunnen professionals meer inzicht krijgen in de psychologische drijfveren en motivatie voor meldgedrag. Deze inzichten kunnen helpen in het vormgeven van communicatiestrategieën voor zowel het stimuleren van burgers om in de toekomst te melden als voor de wijze van communiceren met burgers die daadwerkelijk een melding maken.

    • 1 Inleiding

      De politieorganisatie is zich in de afgelopen decennia steeds meer het grote potentieel van burgerkapitaal in de strijd tegen criminaliteit en overlast gaan realiseren (Bullock & Sindall, 2014; Gill, Weisburd, Telep, Vitter & Bennet, 2014). Burgers zijn zelf ook steeds actiever op het gebied van de veiligheid in hun omgeving. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de opkomst van (online) buurtpreventie door burgers (Lub, 2019). Ook is er een toename van coproductie tussen burgers en politie in de opsporing (Lam & Kop, 2020; Van Eijk & Steen, 2017) en een verscheidenheid van andere vormen van participatie, zoals criminaliteit bij de politie melden, en deelname aan buurtbemiddeling en wijkschouwen (Van der Land, Van Stokkum & Boutellier, 2014).
      Vaak richt onderzoek naar burgerparticipatie zich op de effecten, zoals het verminderen van criminaliteit (Akkermans & Vollaard, 2015; Bennett, Holloway & Farrington, 2006), maar er is nog weinig zicht op wat burgers drijft om wel of niet te participeren. Met deze inzichten in het burgerperspectief is het wellicht makkelijker om met burgers te communiceren over samenwerkingsmogelijkheden. Door sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen en de groter wordende rol van burgers in het politiedomein, wordt het belang van het kijken vanuit een burgerperspectief groter.
      Eén specifieke activiteit waarmee burgers kunnen participeren in het politiedomein is het melden van criminaliteit. Voor de context van dit onderzoek worden met criminaliteit ‘(het vermoeden van) strafbare feiten die in de leefomgeving van de burger voorkomen bedoeld’. Meldingen zijn het doorgeven van informatie over mogelijk strafbare feiten aan de politie. Een melding kan uiteindelijk uitmonden in een aangifte met het doel van strafvervolging, maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijs te gebeuren.
      Meldingen door burgers zijn een grote bron van informatie voor de politie (Terpstra, 2009; Bullock & Sindall, 2014). Buurtbewoners weten vaak goed wat zich in hun buurt afspeelt en welke situaties verdacht zijn (Bullock & Sindall, 2014; Lub, 2019). De politie kan daarentegen niet overal 24/7 aanwezig zijn en heeft informatie van de burger dan ook hard nodig. Door de komst van internet en sociale media is het voor burgers makkelijker geworden om met elkaar en met de politie te communiceren, wat bijvoorbeeld te zien is aan de opkomst van WhatsApp-buurtpreventiegroepen. Ook de politie heeft meer communicatiekanalen tot haar beschikking om met burgers te communiceren. Zo zijn er veel wijkagenten actief op Twitter of Facebook, en kunnen burgers ook digitaal aangifte of melding doen van bepaalde misdrijven en situaties (Smulders, Spooren & Kolthoff, 2017).
      Er kan een verschil bestaan tussen meldgedrag dat in het verleden al is uitgevoerd en toekomstige meldingsbereidheid. In de sociale psychologie is de kloof tussen intentioneel en daadwerkelijk gedrag een bekend fenomeen. Dat mensen hun intentie niet altijd daadwerkelijk tot uitvoering brengen, kan bijvoorbeeld komen doordat ze conflicterende doelen hebben, emoties ervaren die het gedrag in de weg staan of gewoontegedrag moeilijk kunnen veranderen (Sheeran & Webb, 2016). In deze context kunnen mensen bijvoorbeeld de intentie hebben om iets te melden, maar op het moment dat ze getuige zijn van criminaliteit zouden conflicterende gedachten, zoals eigen veiligheid en gevoelens van angst, er wellicht voor zorgen dat ze dit uiteindelijk niet doen.
      Aangezien meldingen van burgers een belangrijke bron van informatie zijn voor de politie, zal in dit huidige onderzoek worden onderzocht welke psychologische drijfveren van invloed zijn op verleden meldgedrag en toekomstige meldingsbereidheid. Deze inzichten kunnen door politie en beleidsmakers gebruikt worden om strategieën en beleid te ontwikkelen om meldgedrag te stimuleren. De focus van dit onderzoek is het exploreren van een breed scala aan psychologische drijfveren voor de meldingsbereidheid van burgers. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat de verschillende drijfveren individueel van invloed zijn op meldgedrag specifiek, dan wel op samenwerking met de politie in het algemeen. Er is een exploratief onderzoek uitgevoerd om te achterhalen of de invloed van deze factoren gecombineerd in stand blijft of dat de factoren elkaar zelfs versterken. Er wordt over het algemeen verwacht dat alle drie de typen drijfveren positief gerelateerd zijn op verleden meldgedrag en toekomstige meldingsbereidheid. Aangezien de intentie en het daadwerkelijke gedrag vaak niet blijken overeen te komen (Sheeran & Webb, 2016) exploreren we ook of hier verschillende drijfveren aan gerelateerd zijn en welke motieven burgers zelf aangeven als belangrijkste redenen om wel of niet te participeren.

    • 2 Theoretisch kader

      2.1 Melden

      Er is al veel onderzoek gedaan naar onderliggende factoren voor de meldingsbereidheid van burgers (Harlow, 2005; Goudriaan, Wittebrood & Nieuwbeerta, 2006; Birdsey & Snowball, 2013; Heath, Lynch, Fritch & Wong; Hart & Renisson, 2003). Eerder onderzoek laat zien dat de attitude die burgers hebben ten opzichte van de politie van invloed is op of ze criminaliteit melden (Boateng, 2018). Meerdere studies hebben laten zien dat vertrouwen in de politie sterk gerelateerd is aan de algemene bereidheid om met de politie samen te werken (Kääriäinen & Sirén, 2011; Tyler & Fagan, 2008). Ook een positieve perceptie van politielegitimiteit blijkt te leiden tot meer meldgedrag of algemene samenwerking met de politie (Brunson & Wade; 2019; Wiedlitzka, Mazerolle, Fay-Ramirez & Miles-Johnson, 2008). Vertrouwen in de politie houdt in dat burgers een positieve verwachting hebben van het gedrag van politieagenten, waar politielegitimiteit gaat over de overtuiging van burgers dat de politieorganisatie eigenschappen vertoont die macht rechtvaardigen en de overtuiging dat de politie gehoorzaamd dient te worden (Jackson & Gau, 2016). Op specifieke vormen van criminaliteit blijken ook specifieke factoren van invloed te zijn. Bij aanranding en overvallen blijkt bijvoorbeeld dat slachtoffers eerder melding maken wanneer ze tevreden zijn over en vertrouwen hebben in de politie (Boateng, 2018). Daarnaast geven meerdere onderzoeken aan dat ook de sociale context, zoals sociale cohesie, invloed heeft op meldgedrag van burgers (Goudriaan, 2006; Estienne & Morabito, 2015).
      De meerderheid van deze onderzoeken gaat echter over aangifte doen door slachtoffers zelf (Harlow, 2005; Goudriaan et al., 2006) en/of over aangifte van specifieke misdrijven, zoals huiselijk geweld (Birdsey & Snowball, 2013), seksueel geweld (Heath et al., 2013) of ernstig gewelddadige misdrijven (Hart & Renisson, 2003). Voor zover bekend, is er in mindere mate onderzoek gedaan naar meldingsbereidheid door buurtbewoners van criminaliteit in hun omgeving. Daarnaast nemen onderzoeken vaak enkel individuele, sociale of institutionele factoren mee. Er zijn echter, voor zover bekend, nog geen onderzoeken uitgevoerd die deze drie perspectieven gecombineerd meenemen in één onderzoek op het gebied van melden. Daarnaast maken de bestaande onderzoeken geen onderscheid tussen drijfveren voor verleden meldgedrag en de toekomstige meldingsbereidheid.

      2.2 Psychologische factoren

      Eerder onderzoek laat zien dat verschillende typen psychologische drijfveren van invloed zijn op burgerparticipatie in het politiedomein, namelijk individuele, sociale en institutionele drijfveren (Schreurs, Kerstholt, De Vries & Giebels, 2018). Ook voor melden van (het vermoeden) van criminaliteit in de buurt lijkt het waarschijnlijk dat deze drie typen drijfveren relevant zouden kunnen zijn. Individuele drijfveren gaan over interne cognitieve en affectieve processen die een rol kunnen spelen bij het maken van de beslissing om iets te melden bij de politie, zoals emoties of de perceptie van het risico. Sociale drijfveren zouden een rol kunnen spelen bij verleden en toekomstig meldgedrag van criminaliteit in hun buurt vanwege de relatie met buurtbewoners, bijvoorbeeld hoe verbonden mensen zich voelen met hun buren. Institutionele drijfveren zouden relevant kunnen zijn vanwege de relatie en ervaringen met de politie die een rol kunnen spelen bij het melden, bijvoorbeeld in hoeverre mensen de politie vertrouwen. Aangezien het een individuele beslissing is om wel of niet te melden, zijn alle drijfveren individueel van aard. Er zijn echter drijfveren die meer gericht zijn op de sociale omgeving, die meer gericht zijn op instituties zoals de politie, terwijl andere drijfveren voornamelijk individueel van aard zijn.
      Een theorie die deze drie typen drijfveren combineert, is de Community Engagement Theory (Paton et al., 2008). Deze theorie is gevalideerd voor voorbereidend gedrag van burgers op verschillende natuurlijke risico’s, zoals overstromingen, tsunami’s en aardbevingen. Deze voorbereidende acties die burgers kunnen uitvoeren, bestaan bijvoorbeeld uit het verstevigen van hun huizen of het inslaan van noodpakketten. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de relevantie van de Community Engagement Theory in het sociale veiligheidsdomein. Een van de weinige onderzoeken waarin dit wel is gedaan, is een onderzoek naar lidmaatschap van buurtpreventiegroepen, wat laat zien dat deze theorie en de drie typen drijfveren relevant zijn in dit domein (Schreurs, Franjkić, Kerstholt, De Vries & Giebels, 2020). Waar buurtpreventiegroepen een meer sociale component hebben, is meldgedrag wellicht individueler van aard. Dit maakt het interessant om te onderzoeken welke typen drijfveren van invloed zijn op verleden en toekomstig meldgedrag.
      De individuele drijfveren die in de Community Engagement Theory worden beschreven, zijn self-efficacy, response efficacy en risicoperceptie. Eerder onderzoek laat zien dat wanneer burgers geloven dat ze in staat zijn om bepaald gedrag uit te voeren, ze dit gedrag ook eerder zullen uitvoeren, ook wel self-efficacy genoemd (Paton et al., 2013; Bandura, 2006). Daarnaast blijkt dat mensen dat gedrag ook eerder uitvoeren als ze geloven dat het gedrag het beoogde effect heeft, ook wel response efficacy genoemd (Paton, 2013; Floyd et al., 2000). Bij meldgedrag kan een hoge mate van self-efficacy betekenen dat mensen weten dat ze in staat zijn om te melden, bijvoorbeeld hoe ze de politie kunnen bereiken en in welke situaties ze dat kunnen doen. Bij een hoge response efficacy hebben burgers het idee dat melden effect heeft, bijvoorbeeld op het vergroten van de veiligheid en het verminderen van criminaliteit. Daarnaast is ook risicoperceptie een mogelijke drijfveer. Risicoperceptie bestaat uit hoe groot mensen de kans inschatten dat er een bepaald risico plaatsvindt en hoe ernstig zij de consequenties daarvan inschatten (Slovic, 2000). In de context van meldingsbereidheid zou dit bijvoorbeeld kunnen betekenen dat wanneer mensen de kans dat er criminaliteit plaatsvindt in hun buurt hoger inschatten en verwachten dat de consequenties ernstiger zijn, het waarschijnlijker is dat zij een hoge meldingsbereidheid hebben (Paton et al., 2008).
      Gezien de context van meldingsbereidheid en op basis van eerder onderzoek naar drijfveren voor burgerparticipatie (Schreurs et al., 2018) zijn er naast de Community Engagement Theory mogelijk nog een aantal andere individuele drijfveren van invloed op meldgedrag, zoals morele waarden en negatieve emoties. Morele waarden kunnen onderverdeeld worden in meerdere categorieën. Twee relevante categorieën voor meldgedrag zijn altruïstische en egoïstische waarden (Steg, Bolderdijk, Keizer & Perlaviciute, 2014). Voorbeelden van altruïstische waarden zijn rechtvaardigheid en het behulpzaam zijn voor anderen. Egoïstische waarden zijn vaak meer op de persoon zelf gericht, zoals het hebben van invloed of rijkdom. Wanneer morele waarden geschonden worden, roept dit vaak emoties op (Haidt, 2003; Harkness & Hitlin, 2014). Wanneer iemand bijvoorbeeld getuige is van een misdrijf, kan dit emoties (zoals woede en walging of zorgen om het slachtoffer) oproepen. Deze emoties kunnen er vervolgens toe leiden dat mensen bepaald gedrag vertonen, zoals het helpen van het slachtoffer of het maken van een melding bij de politie.
      In de Community Engagement Theory worden drie sociale drijfveren beschreven die van invloed kunnen zijn op participatiegedrag. Wanneer burgers zich meer verbonden voelen met hun buurt, ook wel buurtgevoel genoemd, zullen ze eerder geneigd zijn te participeren (Paton, 2013; Ohmer & Beck, 2006). Er is echter voor zover bekend nog geen onderzoek beschikbaar naar de relatie tussen buurtgevoel en meldgedrag. Collective efficacy houdt in dat mensen het gevoel hebben dat ze als buurtbewoners gezamenlijk in staat zijn om criminaliteit tegen te gaan (Ohmer & Beck, 2006; Hipp, 2016). Tot slot blijkt dat wanneer burgers in het verleden al vaker hebben geparticipeerd in hun buurt, onafhankelijk van wat voor soort activiteit ze hebben gedaan, de kans groot is dat ze in de toekomst weer zullen participeren (Paton, 2013; Schreurs et al., 2020). Er is echter nog geen onderzoek gedaan of dit ook specifiek voor melden bij de politie geldt.
      Onder institutionele drijfveren worden in de Community Engagement Theory institutioneel vertrouwen en empowerment genoemd (Paton, 2013). Vertrouwen in de politie houdt bijvoorbeeld in dat mensen het vertrouwen hebben dat de politie criminaliteit kan tegengaan, dat je door de politie met respect behandeld wordt en dat je op de politie kan rekenen wanneer je die nodig hebt (Stoutland, 2001). Wanneer mensen de overheid, of de politie specifiek, meer vertrouwen, zou het waarschijnlijker zijn dat ze bereid zijn samen te werken met de politie (Stoutland, 2001; Jackson & Bradford, 2010). Kääriäinen en Sirén (2006) geven in hun onderzoek echter aan hier geen empirisch bewijs voor te kunnen vinden. Een andere mogelijke drijfveer die in de sociale veiligheidscontext relevant kan zijn, maar niet in de Community Engagement Theory voorkomt, is legitimiteit. Legitimiteit van de politie betekent dat burgers het gevoel hebben dat de acties die de politie uitvoert gerechtvaardigd zijn (Kääriäinen & Sirén, 2006; Tyler & Fagan, 2008; Jackson et al., 2013). Tot slot zijn burgers volgens de Community Engagement Theory eerder geneigd om deel te nemen aan activiteiten in het publieke domein wanneer ze het gevoel hebben dat ze invloed hebben op het overheidsbeleid en zich gehoord voelen, ook wel empowerment genoemd (Paton, 2013).

      In deze studie zal worden onderzocht in hoeverre een combinatie van individuele, sociale en institutionele drijfveren van invloed is op verleden meldgedrag en de toekomstige meldingsbereidheid van burgers.

    • 3 Methode

      In dit onderzoek is via een online vragenlijst onderzocht in hoeverre een combinatie aan psychologische drijfveren van invloed is op meldgedrag uit het verleden en de meldingsbereidheid voor de toekomst. Door de onderzoeksmethode, waarbij alle drijfveren en gedragingen op het zelfde moment in een vragenlijst gemeten werden, zal alleen naar relaties tussen de drijfveren en het verleden meldgedrag en de toekomstige meldingsbereidheid gekeken worden en niet naar causale verbanden. Ook is door middel van een open vraag verder onderzocht wat volgens respondenten de voornaamste reden is om wel of niet criminaliteit in hun buurt te melden bij de politie. Hier is sprake van sequentiële datatriangulatie van methode en analyse, waarbij kwantitatieve en kwalitatieve data-analyse zijn gecombineerd (De Boer, 2016).

      3.1 Respondenten

      In totaal hebben 1245 burgers van burgerpanels uit drie Nederlandse gemeenten in Zuid-Nederland (variërend in grootte van 40.000 tot 120.000 inwoners) een online vragenlijst ingevuld. Van de respondenten was 61% man en 39% vrouw, de gemiddelde leeftijd was 60 jaar, 57% was hoger opgeleid (hbo/wo) en 96% gaf Nederland aan als geboorteland.

      3.2 Procedure

      Respondenten is gevraagd deel te nemen aan dit onderzoek via een e-mail van het burgerpanel van hun gemeente, waar zij al lid van waren. Zij konden zelf besluiten al dan niet mee te doen aan het online onderzoek. In de e-mail stond vermeld dat het doel van het onderzoek was om meldgedrag van burgers bij criminaliteit te onderzoeken. In totaal heeft 19% van alle benaderde personen deelgenomen aan het onderzoek. Er zijn geen missende waarden, omdat bij alle vragen om een geforceerde respons werd gevraagd. In deze vragenlijst is gevraagd naar drie typen psychologische drijfveren (individueel, sociaal en institutioneel), het meldgedrag van burgers in het verleden en hun toekomstige bereidheid om aan de politie te melden. Daarnaast is door middel van een open vraag aan burgers gevraagd wat hun voornaamste motivatie is om te melden bij de politie wanneer zij getuige zouden zijn van criminaliteit. Het onderzoek is goedgekeurd door een erkende ethische commissie. Alle respondenten hebben geïnformeerde toestemming gegeven en konden op elk moment van de vragenlijst zonder opgave van redenen met het onderzoek stoppen. De data zijn geanonimiseerd opgeslagen en niet herleidbaar tot personen. Deze vragenlijst maakt deel uit van een groter onderzoek, waarin burgers ook is gevraagd naar ingrijpen, het lid worden van een buurtpreventiegroep en de bereidheid om informatie te ontvangen. Dit valt echter buiten de strekking van dit artikel en zal verder buiten beschouwing worden gelaten.

      3.3 Variabelen

      Afhankelijke variabelen

      Meldgedrag in het verleden is gemeten door respondenten te vragen in welke mate ze in het verleden criminaliteit bij de politie hebben gemeld (op een schaal van 1 tot 5: nooit, soms, regelmatig, vaak, altijd). Een overige antwoordmogelijkheid was ‘niet van toepassing, ik heb zo’n situatie nog nooit meegemaakt’. Deze antwoordmogelijkheid werd door 11,8% van de respondenten ingevuld, deze zijn niet meegenomen in de analyse van deze variabele.
      Meldingsbereidheid is gemeten door respondenten te vragen in welke mate ze van plan zijn in de toekomst de politie te bellen wanneer ze in hun buurt criminaliteit zouden waarnemen (op een schaal van 1 tot 5: nooit, soms, regelmatig, vaak, altijd).

      Onafhankelijke variabelen

      De onafhankelijke variabelen zijn individuele, sociale en institutionele psychologische drijfveren die gebaseerd zijn op de gevalideerde vragenlijst van de Community Engagement Theory (Paton et al., 2008, 2013). Daarnaast is er een aantal variabelen dat in de context van sociale veiligheid op basis van de beschreven literatuur relevant zou kunnen zijn. Bij de variabelen die zijn toegevoegd aan de variabelen van de Community Engagement Theory staat dat expliciet aangegeven. Alle variabelen zijn gemeten op een vijfpuntsschaal, tenzij anders aangegeven. Wanneer er een voldoende hoge betrouwbaarheid van de schaal is aangetoond (α > 0,60), werd het construct samengevoegd door een gemiddelde te berekenen over de desbetreffende items.

      Individuele drijfveren

      Self-efficacy is gemeten door respondenten te vragen in hoeverre zij zich in staat achten om criminaliteit te melden door middel van drie stellingen die aangepast zijn aan de context van dit onderzoek (bijv. ‘Ik acht mijzelf in staat om verdachte situaties te melden bij de politie’, ‘Ik weet hoe ik criminaliteit kan melden bij de politie’; α = 0,93; gebaseerd op CET; Paton et al., 2008).
      Response efficacy is gemeten door respondenten te vragen in hoeverre zij denken dat melden het gewenste effect zal hebben, door middel van zes stellingen die aangepast zijn aan de context van dit onderzoek (bijv. ‘De buurt wordt veiliger wanneer ik criminaliteit meld bij de politie’ en ‘Wanneer ik iets meld bij de politie zal daar ook iets mee gedaan worden’; α = 0,78).
      Risicoperceptie is gemeten op basis van twee factoren, de ingeschatte kans op criminaliteit (bestaande uit vier stellingen, bijv. ‘Hoe waarschijnlijk vindt u het dat er criminaliteit plaatsvindt in uw buurt?’; α = 0,87) en de ingeschatte consequenties van criminaliteit (bestaande uit vijf stellingen, bijv. ‘Hoe waarschijnlijk is het dat criminaliteit, zoals die bij u in de buurt zou kunnen plaatsvinden, leidt tot grote schade aan uw huis of bezittingen’; α = 0,86; gebaseerd op CET; Paton et al., 2008).
      Morele waarden zijn gemeten door respondenten te vragen in hoeverre zij vier egoïstische en vijf altruïstische morele waarden (gebaseerd op onderzoek van Steg et al., 2014) als belangrijke leidraad van hun leven zien. Altruïstische waarden bestaan uit de waarden ‘Sociale rechtvaardigheid’, ‘Behulpzaamheid’, ‘Gelijkheid’ en ‘Vreedzaamheid’ (α = 0,76, op een zevenpuntsschaal). Egoïstische waarden bestaan uit de waarden ‘Rijkdom’, ‘Sociale macht’, ‘Invloed’, ‘Ambitie’ en ‘Autoriteit’ (α = 0,73, op een zevenpuntsschaal).
      Negatieve emoties zijn gemeten door te vragen in hoeverre respondenten het eens waren met vier stellingen omtrent emoties die zij ervaren wanneer ze denken aan de mogelijkheid dat er criminaliteit in hun buurt plaatsvindt. De volgende vier stellingen zijn gemeten: ‘Ik krijg een angstig gevoel’, ‘Ik krijg een boos gevoel’, ‘Ik maak me zorgen’ en ‘Ik word er kwaad van’ (α = 0,89; gebaseerd op CET; Paton et al., 2008).

      Sociale drijfveren

      Buurtgevoel is gemeten door respondenten te vragen in hoeverre zij het eens zijn met acht stellingen over de verbondenheid met hun buurt (bijv. ‘Ik voel me thuis in mijn buurt’ en ‘Ik ben trots om deel uit te maken van mijn buurt’; α = 0,91; gebaseerd op CET; Paton et al., 2008).
      Collective efficacy is gemeten door participanten via zes stellingen te vragen in hoeverre zij zich in staat achten om zich samen met hun buren tegen criminaliteit te weren en moeilijke situaties op te lossen (bijv. ‘We zijn als buurt in staat om besluiten te nemen, ook al verschillen de meningen’ en ‘We zijn als buurt in staat om de veiligheid in de buurt te vergroten’; α = 0,85; gebaseerd op CET; Paton et al., 2008).
      Burgerparticipatie is gemeten door respondenten te vragen in hoeverre zij ervaring hebben met negen verschillende participatieactiviteiten (bijv. ‘Ik woon openbare bijeenkomsten bij als het buurtkwesties betreft’ en ‘Ik neem deel aan buurtactiviteiten zoals een buurtbarbecue of braderie’; α = 0,83; gebaseerd op CET; Paton et al., 2008).

      Institutionele drijfveren

      Vertrouwen in de politie is gemeten door respondenten naar hun vertrouwen in de politie te vragen door middel van negen stellingen gebaseerd op Stoutland (2001).
      In de Community Engagement Theory is vertrouwen in de overheid gemeten; voor deze context zijn de stellingen gespecificeerd in vertrouwen in de politie (bijv. ‘Er kan op de politie vertrouwd worden wanneer je ze nodig hebt’ en ‘De politie zal je met respect behandelen wanneer je contact met hen zou hebben’; α = 0,93).
      Legitimiteit politie is gemeten door respondenten vijf stellingen voor te leggen gebaseerd op onderzoek van Tyler en Fagan (2008; bijv. ‘Over het algemeen is de politie een legitieme autoriteit en moeten mensen het besluit van politieagenten gehoorzamen’ en ‘Je moet doen wat de politie je zegt te doen, zelfs als je het oneens bent met hun beslissingen’; α = 0,89).
      Empowerment is gemeten door respondenten acht stellingen voor te leggen over in hoeverre zij denken invloed te hebben op wat er in hun buurt en op overheidsniveau gebeurt (bijv. ‘Stemmen bij lokale verkiezingen heeft invloed op wat er in de buurt wordt aangepakt’ en ‘Ik heb het gevoel dat ik invloed kan uitoefenen op wat er gebeurt in mijn buurt’; α = 0,80; gebaseerd op CET; Paton et al., 2008).

      Voornaamste motivatie meldingsbereidheid

      Aan het einde van de vragenlijst is aan respondenten gevraagd welke redenen zij hebben om criminaliteit in hun omgeving te melden. Het doel van deze vraag was om te onderzoeken welke redenen om criminaliteit te melden bij burgers het belangrijkst zijn, om zo meer inzicht te krijgen in hun belevingswereld, als toevoeging op de kwantitatief gemeten drijfveren. De volgende open vraag is aan de respondenten gesteld: ‘Wanneer u getuige zou zijn van criminaliteit of het vermoeden zou hebben dat er criminaliteit op een bepaalde plek in uw wijk plaatsvindt, zou u dit kunnen melden bij de politie. Kunt u (in maximaal 10 zinnen) aangeven wat voor u de belangrijkste redenen zijn om criminaliteit wel of niet te melden bij de politie?’ Er is voor deze brede open vraag gekozen om te onderzoeken welke redenen burgers zelf als voornaamste redenen zien. Bij deze vraag is aangegeven dat het om criminaliteit in hun eigen buurt ging, waarbij het niet om één specifieke vorm van criminaliteit ging.
      In totaal heeft ongeveer 13% van de respondenten geen antwoord gegeven op deze open vraag, waardoor er antwoorden van 1083 respondenten overbleven. Alle antwoorden op de open vragen zijn op willekeurige volgorde gezet, waarna de open vragen gecodeerd zijn tot het punt van dataverzadiging. Er was sprake van dataverzadiging op het moment dat de antwoorden geen nieuwe informatie of inzichten meer gaven. Dit vond plaats bij ongeveer 25% van het totaal aantal respondenten die de vraag beantwoord had, wat betekent dat er 272 respondenten meegenomen zijn in de analyse. Participanten waren vrij om meerdere redenen te geven om wel of niet criminaliteit te melden bij de politie. In totaal hebben zij 342 redenen opgegeven. Respondenten gaven uit eigen beweging (1) alleen redenen aan om wel te melden (69,1%), (2) alleen redenen om niet te melden (16,2%) of (3) zowel redenen om wel als om niet te melden (14,7%). Respondenten konden meerdere redenen geven, de percentages zijn het aantal voorkomende redenen gedeeld door het opgegeven totaal aantal redenen. De meest passende code werd per reden geselecteerd. Deze antwoorden zijn gesplitst in redenen om wel te melden en redenen om niet te melden. Het coderen is uitgevoerd op basis van een codeerschema bestaande uit de psychologische drijfveren overeenkomend met de onafhankelijke variabelen zoals eerder beschreven. Daarnaast zijn de gegeven redenen die niet als een van de drijfveren gecodeerd konden worden als ‘anders’ gecodeerd, wat op basis van overeenkomsten resulteerde in zeven categorieën, namelijk: afhankelijk van het soort misdrijf, om de politie te helpen in de uitvoering van hun taak, afhankelijk van zekerheid, omdat je altijd moet melden, anonimiteit, eerdere negatieve ervaring met melden, slechte bereikbaarheid politie.

    • 4 Resultaten

      4.1 Beschrijvende statistieken en correlaties

      Gemiddelden, standaarddeviaties en correlaties zijn weergegeven in tabel 1 in de bijlage. Aangezien er sprake is van een groot aantal respondenten, zijn de data getest voor multicollineariteit tussen de onafhankelijke variabelen. Hier bleek geen sprake van te zijn, aangezien alle variantie-inflatie-factoren (VIF’s) kleiner waren dan 3,0 en alle tolerantieniveaus hoger dan 0,2, wat voldoet aan de richtlijnen voor het niet aanwezig zijn van multicollineariteit volgens Ringle, Wende en Becker (2015). Er zijn significante kleine verschillen tussen gemeenten op de afhankelijke variabelen gevonden, hiervoor is gecontroleerd in verdere analyses.

      4.2 Regressieanalyses

      Er is in het kwantitatieve deel van dit onderzoek voor lineaire regressieanalyses gekozen, omdat het doel van dit onderzoek was om de relatie tussen de combinatie van de verschillende drijfveren met de onafhankelijke variabelen te testen. Door een lineaire regressieanalyse te gebruiken kan er worden gecontroleerd voor de andere onafhankelijke variabelen in het model en wordt er inzicht verkregen in het geïsoleerde effect van elke onafhankelijke variabele (Field, 2013). Hierbij is voor de reikwijdte van dit onderzoek niet gekeken naar onderlinge relaties tussen de onafhankelijke variabelen.

      Meldgedrag verleden

      Een lineaire regressieanalyse is uitgevoerd met meldgedrag uit het verleden als afhankelijke variabele, en de psychologische drijfveren als onafhankelijke variabelen.
      De resultaten, weergegeven in tabel 2 in de bijlage, laten zien dat er een positieve samenhang is tussen de risicoperceptie – kans (β = 0,34, p < 0,001), self-efficacy (β = 0,28, p < 0,001), burgerparticipatie in het verleden (β = 00,18, p < 0,001) en legitimiteit politie (β = 0,15, p < 0,01) met meldgedrag in het verleden. Gegeven dat er een regressieanalyse wordt uitgevoerd, is er voor de toetsing van het model met meldgedrag verleden een verklaarde variantie (R2) van 0,18 gevonden. Dit betekent dat mensen die in het verleden vaker bij de politie hebben gemeld, op het moment van het afnemen van de vragenlijst de kans hoger achten dat er criminaliteit in hun buurt plaatsvindt. Daarnaast achten zij zichzelf ook meer in staat om iets te melden, blijken zij ook vaker actief te zijn in hun buurt en zien zij de politie als legitiemer.

      Meldingsbereidheid

      Een lineaire regressieanalyse is uitgevoerd met de meldingsbereidheid als afhankelijke variabele en de psychologische drijfveren als onafhankelijke variabelen. De resultaten, weergegeven in tabel 3 in de bijlage, laten zien dat self-efficacy (β = 0,25, p < 0,001), response efficacy (β = 0,46, p < 0,001), vertrouwen in politie (β = 0,23, p < 0,01) en legitimiteit politie (β = 0,16, p < 0,01) positief gerelateerd zijn aan meldgedrag in het verleden. Gegeven dat er een regressieanalyse wordt uitgevoerd, is er voor de toetsing van het model met meldingsbereidheid een verklaarde variantie (R2) van 0,20 gevonden. Dit betekent dat mensen die aangaven een hogere bereidheid te hebben om criminaliteit bij de politie te melden, zichzelf ook meer in staat achten om iets te melden en een hogere verwachting hadden van het effect dat melden zou hebben op het verminderen van criminaliteit. Daarnaast bleken zij meer vertrouwen in de politie te hebben en de politie als legitiemer te zien.

      4.3 Voornaamste motivatie meldingsbereidheid

      Naast het meten van vraagstellingen is de respondenten ook gevraagd wat hun voornaamste reden was om wel of niet criminaliteit die in hun buurt voorkomt bij de politie te melden. Dit is toegevoegd om niet alleen naar onderliggende drijfveren te kijken, maar om ook inzicht te krijgen in wat volgens burgers zelf de voornaamste redenen zijn om wel of niet te melden.
      Er werden verschillende redenen gegeven om wel of niet te melden (zie figuur 1), waarbij de percentages staan voor het aantal gegeven redenen gedeeld door het totaal aantal positieve en negatieve redenen. Doordat er meer redenen zijn gegeven om wel te melden dan redenen om niet te melden zijn die percentages hoger.
      De meest genoemde reden (31,6%) om wel te melden is response efficacy, waarbij respondenten bijvoorbeeld noemden dat ze zouden melden om de criminaliteit te stoppen, om veiligheid te vergroten, omdat er een goede kans is dat er opgetreden wordt en omdat ze ervan uitgaan dat er na hun melding handelend wordt opgetreden. Deze drijfveer werd ook gevonden bij de meldingsbereidheid, maar niet bij verleden meldgedrag.
      Verder werden altruïstische waarden (14,6%) vaak genoemd als reden om te melden, waarbij vooral rechtvaardigheid, normen en waarden, en ‘zodat de daders bestraft worden’ genoemd werden. Interessant is dat altruïstische waarden niet gevonden werden als psychologische drijfveer voor verleden meldgedrag en de meldingsbereidheid. Van alle genoemde redenen kwam 17,5% niet overeen met de vooraf opgestelde drijfveren, waardoor zij in de categorie ‘overige redenen’ vielen.
      Ook bij redenen om niet te melden werd response efficacy het vaakst genoemd (13,2%), waarbij bijvoorbeeld werd aangegeven dat er weinig tot geen gehoor aan hun melding zou worden gegeven, dat het geen enkele invloed heeft om te melden, en dat de politie onderbezet zou zijn. Daarnaast werden ‘geen vertrouwen in de politie’ (3,2%) en ‘negatieve emoties’ het meest opgegeven om niet te melden (2,0%), waar voornamelijk angst voor represailles en wraak werden genoemd. 4,4% van de redenen kwam niet overeen met de vooraf opgestelde drijfveren en vielen onder de categorie ‘overig’.

      Opgegeven redenen meldingsbereidheid
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/TvV/TvV_2020_2-3

      Overige redenen

      Naast de psychologische drijfveren uit de Community Engagement Theory werden ook andere drijfveren of redenen genoemd (86 redenen in totaal) om criminaliteit wel of niet te melden.
      Respondenten gaven aan dat dit afhankelijk is van het soort misdrijf (29,1%), waarbij grote verschillen bestonden tussen bij welke misdrijven wel of niet gemeld zou worden. Ook de afhankelijkheid van hoe zeker men is over dat iets daadwerkelijk crimineel is en niet alleen verdachte omstandigheden zijn (12,8%) werd genoemd en tot slot dat melden afhangt van of dit anoniem kan (3,5%). Redenen om wel te melden zijn om de politie te helpen in de uitvoering van haar taak en informatiepositie. Hierbij werd vaak genoemd dat, ook wanneer de politie niet daadwerkelijk kan optreden, de informatie wel nuttig kan zijn (16,3%). Daarnaast werd de reden ‘omdat je altijd criminaliteit hoort te melden’ (11,6%) vaak genoemd, waarbij verder geen uitleg werd gegeven. Genoemde redenen om niet te melden zijn negatieve ervaringen met het melden bij de politie (20,9%) en slechte bereikbaarheid van de politie (5,8%).

    • 5 Discussie en aanbevelingen

      In dit artikel werd onderzocht welke psychologische drijfveren van invloed zijn op het verleden meldgedrag van criminaliteit bij de politie en de toekomstige meldingsbereidheid. Daarnaast is onderzocht welke redenen burgers zelf aangeven waarom ze wel of niet melden. Uit een vragenlijstonderzoek is gebleken dat zowel individuele, sociale als institutionele drijfveren gebaseerd op de Community Engagement Theory van invloed zijn op verleden meldgedrag en toekomstige meldingsbereidheid.
      Ten eerste blijkt dat burgers die de kans dat er criminaliteit in hun buurt plaatsvindt als hoger inschatten en zichzelf meer in staat achten om criminaliteit bij de politie te melden in het verleden ook vaker iets bij de politie hebben gemeld. Een mogelijke verklaring hiervoor is, dat burgers die in het verleden hebben gemeld vaker in aanraking zijn gekomen met criminaliteit, waardoor hun risicoperceptie verhoogd is. Daarnaast blijkt het waarschijnlijker dat zij in het algemeen vaker geparticipeerd hebben in hun buurt. Dit komt overeen met eerder onderzoek, waaruit blijkt dat wanneer mensen participeren in de buurt, ze in contact komen met buren en ze daardoor in de toekomst makkelijker hun weg weten te vinden in sociale contacten met hun buren (Gil de Zúñiga & Valenzuela, 2011; Paton, 2013; Schreurs et al., 2020). Opvallend is echter dat burgers die vaker hebben gemeld in het verleden zich niet meer dan gemiddeld verbonden lijken te voelen met hun buurt. Dit zou mogelijk kunnen komen doordat een positief buurtgevoel ertoe leidt dat mensen eerder zullen melden (Paton, 2009), maar meldingen tegelijkertijd ook over buurtbewoners kunnen gaan, wat het buurtgevoel kan verminderen. Wellicht dat hierdoor het buurtgevoel met een deel van de buren verbetert en met een ander deel van de buren verslechtert (Pettigrew, Tropp, Wagner & Christ, 2011). Tot slot zien mensen die in het verleden vaker gemeld hebben de politie als legitiemer, wat overeenkomt met eerder onderzoek naar legitimiteit en meldingsbereidheid (Brunson & Wade, 2019; Wiedlitzka et al., 2008). Dit kan een drijfveer zijn om in de toekomst bij de politie te melden, maar zou ook een resultaat kunnen zijn van de ervaring met het maken van een melding in het verleden. Dit zou verder onderzocht kunnen worden in een onderzoeksopzet waar causale verbanden kunnen worden getoetst.
      Voor meldingsbereidheid in de toekomst blijken alleen individuele en institutionele drijfveren een rol te spelen. Respondenten die zichzelf meer in staat achten om te melden en meer het idee hebben dat melden ook effectief zal zijn in het verminderen van criminaliteit zijn vaker bereid om in de toekomst iets te melden. Dit is in overeenstemming met eerder onderzoek dat laat zien dat mensen eerder bereid zijn zelfbeschermende gedragingen uit te voeren wanneer zij informatie hebben gekregen over hoe ze dat kunnen doen (Kievik & Gutteling, 2011). Ondanks wisselende resultaten van eerdere onderzoeken, blijkt dat mensen die meer vertrouwen in de politie hebben ook een hogere meldingsbereidheid hebben (Stoutland, 2001; Kääriäinen & Sirén, 2006; Jackson & Bradford, 2010). Ook mensen die de politie als legitiemer zien, zijn eerder bereid om in de toekomst te melden, wat overeenkomt met eerder onderzoek naar de bereidheid om samen te werken met de politie en meldingsbereidheid (Brunson & Wade, 2019; Wiedlitzka et al., 2008).
      Wanneer respondenten werd gevraagd om zelf aan te geven welke redenen ze hebben om wel of niet te melden, bleek response efficacy, oftewel hoe effectief men verwacht dat melden is en of er iets met de melding gedaan zou worden, duidelijk de meest genoemde reden om zowel wel als niet te melden. Daarnaast werden altruïstische waarden vaak genoemd, terwijl dit niet gevonden werd voor verleden meldgedrag en meldingsbereidheid in de kwantitatieve analyse. Mogelijk speelt er slechts één morele waarde een rol, vooral rechtvaardigheid werd veel genoemd, waardoor dit mogelijk niet bij de kwantitatieve resultaten naar voren kwam. Dit zou overeenkomen met onderzoek naar het geloven in een rechtvaardige wereld, waarin mensen geloven dat onrechtvaardig gedrag verrekend moet worden. Melden zou bijvoorbeeld een manier kunnen zijn om onrechtvaardig gedrag, zoals criminaliteit, te bestraffen (Van Prooijen, 2010; Orth, 2003). Een andere mogelijke verklaring is dat mensen uit idealisme denken dat ze zouden melden vanuit een altruïstische motivatie, maar in werkelijkheid blijken toch andere drijfveren belangrijker te zijn. Dit zou te maken kunnen hebben met het verschil tussen intentioneel gedrag en daadwerkelijk gedrag, waardoor mensen hun onbewuste drijfveren, zoals emoties en morele waarden, lastig in kunnen schatten (Sheeran & Web, 2016). Verder bleek de afhankelijkheid van het soort misdrijf een relatief vaak genoemde reden om wel of niet te melden. Een reden om niet te melden waren eerdere negatieve ervaringen met het melden bij de politie (waarbij weinig werd uitgeweid over welk aspect van de eerdere ervaring dan negatief was).
      Meldgedrag uit het verleden en meldingsbereidheid voor de toekomst zijn slechts licht aan elkaar gerelateerd. Ook hier zou een mogelijke verklaring zijn dat mensen niet goed kunnen inschatten wat hun gedrag gaat zijn in de toekomst, waardoor hun intentie niet overeenkomt met hun daadwerkelijke gedrag (Sheeran & Webb, 2016). Het zou echter ook kunnen dat negatieve ervaringen met melden in het verleden ertoe leidt dat mensen minder geneigd zijn te melden in de toekomst.
      Over de verschillende resultaten heen blijkt dat response efficacy, oftewel het idee dat melden nut heeft, een belangrijke reden is om in de toekomst wel of niet bereid te zijn te melden, terwijl mensen die meer ervaring hebben met melden geen hogere response efficacy hebben (maar ook geen lagere). Het zou kunnen dat negatieve ervaringen, die respondenten ook in de open vragen hebben benoemd, hier een bijdrage aan hebben geleverd. Ondanks dat in eerder onderzoek is gebleken dat emoties een rol spelen in meldgedrag (als onderdeel van responsieve participatie; Schreurs et al., 2019), blijken emoties in dit onderzoek geen belangrijke drijfveer te zijn. Ook hier zou het kunnen zijn dat emoties wel een rol spelen op het moment dat iemand getuige is van criminaliteit, maar dat het op het moment van nadenken over meldingsbereidheid moeilijk is om in te schatten in hoeverre emoties dan een rol zullen spelen. Tot slot blijken vertrouwen en legitimiteit in lijn met eerder onderzoek belangrijke drijfveren voor de meldingsbereidheid en scoren deze ook hoger wanneer burgers in het verleden vaker hebben gemeld.

      Beperkingen

      Deze studie heeft een aantal beperkingen. Ten eerste bestaat de onderzoeksgroep uit burgers die al lid waren van een burgerpanel. Dit zou kunnen betekenen dat deze burgers meer dan gemiddeld actief zijn op het gebied van participatie met de overheid (ook te zien aan de redelijk kleine groep die nog nooit iets gemeld heeft) en geen representatieve populatie vormen. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de gemiddeld hoge leeftijd en het gemiddelde opleidingsniveau van de respondenten, die beide niet representatief zijn voor de samenleving. Dit kan van invloed zijn geweest op de resultaten, in die zin dat het waarschijnlijk is dat het vertrouwen in de overheid al relatief hoog was, dat respondenten meer kennis hadden over hoe te melden en dat deze groep eerder bereid zou kunnen zijn om te melden. Het gebruikmaken van deze burgerpanels was echter wel een mooie kans vanwege het grote aantal respondenten en een begin voor het exploreren van de combinatie van drie typen psychologische drijfveren achter meldgedrag. Het wordt wel aanbevolen om in de toekomst deze studie ook bij een meer representatieve groep van de samenleving te herhalen.
      Ten tweede geven de resultaten van dit onderzoek door het gekozen onderzoeksonderwerp en het tegelijkertijd in één vragenlijst meten van de psychologische drijfveren als meldgedrag en meldingsbereidheid, geen inzicht in causale verbanden. Het is daarom op basis van deze studie niet mogelijk om conclusies te trekken over causaliteit. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat psychologische drijfveren zijn aangepast, doordat men in het verleden gemeld heeft, in plaats van dat ze hebben geleid tot het meldgedrag. Het zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn dat mensen die al een hogere mate van self-efficacy hadden hierdoor vaker zijn gaan melden, maar het zou ook kunnen dat door te hebben gemeld en te ervaren dat men in staat is om te melden het gevoel van self-efficacy juist is gestegen. Het is daarom aan te bevelen om meer experimenteel of longitudinaal onderzoek te doen met voor- en nametingen van de drijfveren voor en na het melden bij de politie. Daarnaast zijn de onderlinge relaties tussen de drijfveren niet getest, omdat het doel van dit onderzoek was om eerst inzicht te krijgen welke drijfveren een rol spelen. Het wordt echter aanbevolen om in toekomstig onderzoek de onderlinge relaties verder te onderzoeken, bijvoorbeeld met behulp van Structural Equation Modelling.
      Tot slot is er bij de open vraag naar voornaamste redenen om te melden geen specifiek misdrijf genoemd, maar is enkel aangegeven dat het gaat om criminaliteit die voorkomt in de buurt. Hierdoor is geen onderscheid gemaakt voor verschillende soorten misdrijven of de context van de wijk waarin mensen wonen. Het geeft echter wel een beeld van redenen waarom burgers in het algemeen criminaliteit die in hun buurt plaatsvindt wel of niet zouden melden.

      Praktische implicaties

      Of mensen bereid zijn te melden blijkt samen te hangen met of mensen zichzelf in staat achten om te melden en weten in welke situaties zij iets bij de politie kunnen melden. Een van de manieren om de meldingsbereidheid te vergroten zou kunnen zijn om de mate van self-efficacy bij burgers te vergroten. Dit zou bijvoorbeeld gedaan kunnen worden door duidelijk te communiceren met burgers in welke situaties ze kunnen melden en via welke kanalen. Bijvoorbeeld door aan te geven wanneer het 112-nummer gebeld mag worden en wanneer het 0900-nummer, wanneer er online aangifte gedaan kan worden en wanneer het beter is om naar een politiebureau te gaan.
      Wanneer burgers vervolgens een melding doen, lijkt het belangrijk dat burgers het idee hebben dat hun melding ook effect heeft. Daarom wordt het aanbevolen dat de politie in haar communicatie met burgers aangeeft wat het effect is van hun melding, bijvoorbeeld door het geven van een terugkoppeling over wat er met de informatie van de melding gedaan wordt. Het blijft uiteraard onmogelijk om op alle meldingen te acteren, maar het lijkt belangrijk om aan te geven dat ook wanneer de dader van de specifieke melding niet gevonden wordt, de melding alsnog nuttig is om te weten waar criminaliteit zich afspeelt en daardoor bijvoorbeeld te weten waar het beste gesurveilleerd kan worden. Daarnaast lijkt het belangrijk om te voorkomen dat mensen een negatieve ervaring overhouden aan het melden. Uit eerder onderzoek blijkt ook dat wanneer mensen in het verleden vaker geparticipeerd hebben, ze dat in de toekomst weer zullen doen (Paton, 2013). Ook kunnen negatieve ervaringen wellicht effect hebben op vertrouwen en legitimiteit en vervolgens de meldingsbereidheid verlagen. Het zou zonde zijn de mensen die bereid zijn geweest te participeren te verliezen als informatiebron van toekomstige meldingen.

    • Literatuur
    • Bandura, A. (2006) Guide for constructing self-efficacy scales. Self-efficacy beliefs of adolescents, 5(1), 307-337.

    • Birdsey, E. & L. Snowball (2013) Reporting violence to police: A survey of victims attending domestic violence services. Crime and Justice Statistics Bureau Brief, 2013(9).

    • Boateng, F.D. (2018) Crime reporting behavior: do attitudes toward the police matter? Journal of interpersonal violence, 33(18), 2891-2916.

    • Boer, F. de (2016) Mixed methods: een nieuwe methodologische benadering? Tijdschrift voor Kwalitatief Onderzoek, 11(2). Verkregen van: www.tijdschriftkwalon.nl/inhoud/tijdschrift_artikel/KW-11-2-2/Mixed-Methods-een-nieuwe-methodologische-benadering.

    • Broekhuizen, J., T. Meulenkamp, F. Stoutjesdijk & H. Boutellier (2018) Ondermijnende criminaliteit en de meldingsbereidheid van burgers: een pilotonderzoek in drie buurten in Brabant-Zeeland. Amersfoort: Bureau Broekhuizen en Verwey-Jonker Instituut.

    • Brunson, R.K. & B.A. Wade (2019) ‘Oh hell no, we don’t talk to police’ Insights on the lack of cooperation in police investigations of urban gun violence. Criminology & Public Policy, 18(3), 623-648.

    • Bullock, K. & K. Sindall (2014) Examining the nature and extent of public participation in neighbourhood policing, Policing and society, 24(3), 85-404.

    • Eijk, C. van & T. Steen (2017) Waarom burgers coproducent willen zijn. Bestuurskunde, 22(4), 72-81. doi: 10.5553/bk/092733872013022003009.

    • Estienne, E. & M. Morabito (2015) Understanding differences in crime reporting practices: a comparative approach. International Journal of Comparative and Applied Criminal Justice, doi: 10.1080/01924036.2015.1086397.

    • Field, A. (2013) Discovering statistics using IBM SPSS statistics: And Sex and Drugs and Rock ‘n’ Roll (4th ed.). London: Sage.

    • Gil de Zúñiga, H. & S. Valenzuela (2011) The mediating path to a stronger citizenship: Online and offline networks, weak ties, and civic engagement. Communication Research, 38(3), 397-421.

    • Gill, C., D. Weisbird, C. Telep, Z. Vitter & T. Bennett (2014) Community-oriented policing to reduce crime, disorder and fear and increase satisfaction and legitimacy among citizens: a systematic review. Journal of Experimental Criminology,10, 399-428.

    • Goudriaan, H., K. Wittebrood & P. Nieuwbeerta (2006) Neighbourhood Characteristics and Reporting Crime: Effects of Social Cohesion, Confidence in Police Effectiveness and Socio-Economic Disadvantage. The British Journal of Criminology, 46(4), 719-742, doi: 10.1093/bjc/azi096.

    • Haidt, J. (2003) The moral emotions. In: R.J. Davidson, K.R. Scherer & H.H. Goldsmith (eds.), Handbook of Affective Sciences, Oxford: Oxford University Press.

    • Harkness, S.K. & S. Hitlin (2014) Morality and Emotions. In: J.E. Stets & J.H. Turner (eds.), Handbook of the Sociology of Emotions, Volume II. Dordrecht: Springer Netherlands.

    • Harlow, C.W. (2005) Hate crime reported by victims and police. Washington, DC: US Department of Justice, Office of Justice Programs, Bureau of Justice Statistics.

    • Hart, T.C. & C.M. Rennison (2003) Reporting crime to the police, 1992-2000 (1). Washington, DC: US Department of Justice, Office of Justice Programs.

    • Heath, N.M., S.M. Lynch, A.M. Fritch & M.M. Wong (2013) Rape myth acceptance impacts the reporting of rape to the police: A study of incarcerated women. Violence against women, 19(9), 1065-1078.

    • Hipp, J.R. (2016) Collective efficacy: How is it conceptualized, how is it measured, and does it really matter for understanding perceived neighborhood crime and disorder?. Journal of criminal justice, 46, 32-44.

    • Jackson, J. & B. Bradford (2010) What is Trust and Confidence in the Police? Policing: A journal of policy and practice, 4(3), 241-248.

    • Jackson, J. & J.M. Gau (2016) Carving up concepts? Differentiating between trust and legitimacy in public attitudes towards legal authority. In: Interdisciplinary perspectives on trust (p. 49-69). Cham: Springer.

    • Jackson, J., A.Z. Huq, B. Bradford & T.R. Tyler (2013) Monopolizing force? Police legitimacy and public attitudes toward the acceptability of violence, Psychology, Public Policy, and Law, 19(4), 479.

    • Kääriäinen, J. & R. Sirén (2011) Trust in the police, generalized trust and reporting crime. European journal of criminology, 8(1), 65-81.

    • Kievik, M. & J.M. Gutteling (2011) Yes, we can: motivate Dutch citizens to engage in self-protective behavior with regard to flood risks, Natural hazards, 59(3), 1475-1490.

    • Lam, J. & N. Kop (2020) Schouder aan schouder. Burger- en politieparticipatie bij de vermissing van Anne Faber. Apeldoorn: Politieacademie.

    • Land, M. van der, B. van Stokkom & H. Boutellier (2014) Burgers in veiligheid: Een inventarisatie van burgerparticipatie op het domein van de sociale veiligheid. Den Haag: WODC.

    • Lub, V. (2019) De burger kijkt mee. De groei van buurtpreventie en gemeentelijkveiligheidsbeleid. Utrecht: Centrum voor Criminaliteitspreventie en veiligheid.

    • Ohmer, M. & E. Beck (2006) Citizen participation in neighborhood organizations in poor communities and its relationship to neighborhood and organizational collective efficacy. Journal of Sociology and Social Welfare, 33(1), 179-202.

    • Orth, U. (2003) Punishment goals of crime victims. Law and Human Behavior, 27(2), 173-186.

    • Paton, D. (2013) Disaster resilient communities: developing and testing an all-hazards theory. Journal of Integrated Disaster Risk Management, 3, 1-17.

    • Paton, D., L. Smith, M. Daly & D. Johnston (2008) Risk perception and volcanic hazard mitigation: Individual and social perspectives. Journal of Volcanology and Geothermal Research, 172(3-4), 179-188.

    • Pettigrew, T.F., L.R. Tropp, U. Wagner & O. Christ (2011) Recent advances in intergroup contact theory. International journal of intercultural relations, 35(3), 271-280.

    • Prooijen, J.W. van (2010) Retributive versus compensatory justice: Observers’ preference for punishing in response to criminal offenses. European Journal of Social Psychology, 40(1), 72-85.

    • Ringle, C.M., S. Wende & J. Becker (2015) SmartPLS 3. Bönningstedt: SmartPLS. Geraadpleegd op www.smartpls.com.

    • Schreurs, W., N. Franjkić, J.H. Kerstholt, P.W. De Vries & E. Giebels (2020) Why do citizens become a member of an online neighbourhood watch? A case study in The Netherlands. Police Practice and Research, 1-15.

    • Schreurs, W., J.H. Kerstholt, P.W. de Vries & E. Giebels (2018) Citizen participation in the police domain: The role of citizens’ attitude and morality. Journal of community psychology, 46(6), 775-789.

    • Sheeran, P. & T.L. Webb (2016) The intention–behavior gap. Social and Personality Psychology Compass, 10(9), 503-518. Verkregen van: https://onlinelibrary.wiley.com/doi/pdf/10.1111/spc3.12265.

    • Slovic, P. (2000) The perception of risk. London: Earthscan Publications Ltd.

    • Smulders, I., W. Spooren & E. Kolthoff (2016) De twitterende wijkagent en het veiligheidsgevoel van de burger. Tijdschrift voor Veiligheid, 15(4), 20-40.

    • Steg, L., J.W. Bolderdijk, K. Keizer & G. Perlaviciute (2014) An Integrated Framework for Encouraging Pro-environmental Behaviour: The role of values, situational factors and goals. Journal of Environmental Psychology, 38, 104-115.

    • Stoutland, S.E. (2001) The multiple dimensions of trust in resident/police relations in Boston. Journal of research in crime and delinquency, 38(3), 226-256.

    • Terpstra, J. (2009) Community policing in practice: ambitions and realization. Policing: A Journal of Policy and Practice, 4(1), 64-72.

    • Tyler, T.R. & J. Fagan (2008) Legitimacy and cooperation: Why do people help the police fight crime in their communities. Ohio State Journal of Criminal Law, 6(1), 231.

    • Wiedlitzka, S., L. Mazerolle, S. Fay-Ramirez & T. Miles-Johnson (2018) Perceptions of police legitimacy and citizen decisions to report hate crime incidents in Australia. International Journal for Crime, Justice and Social Democracy, 7(2), 91-106.

    • Bijlage: tabellen

      Tabel 1 Correlaties, gemiddelden en standaarddeviaties van de afhankelijke en onafhankelijke variabelen
      Soort variabelenVariabelenMSD123456789101112131415
      Afhankelijke variabelen 1. Meldgedrag verleden 2.17 1.03 -
      2. Meldingsbereidheid 3.58 1.31 .16** -
      Individuele drijfveren 3. Risicoperceptie – consequenties 2.81 .87 .21** .06
      4. Risicoperceptie – Kans 3.01 .83 .33** -.06* .67** -
      5. Negatieve emoties 2.55 .98 .24** -.09* .52** .56**
      6. Altruïstische waardena 6.00 .91 -.08* .14** -.06* -.05 -.07* -
      7. Egoïstische waardena 3.56 1.04 .04 .04 .06* .07* .16** -.02 -
      8. Self-efficacy 3.79 .80 .22** .27** -.03 .02 .01 .11** .08**
      9. Response efficacy 3.28 .67 -.02 .40** -.23** -.23** -.23** .20** .10** .30**
      Sociale drijfveren 10. Buurtgevoel 3.59 .74 -.08* .15** -.22** -.19** -.15** .16** .13** .16** .30**
      11. Collective efficacy 3.31 .62 -.03 .20** -.17** -.14** -.15** .20** .15** .18** .40** .54**
      12. Burgerparticipatie 2.32 .73 .18** .10** .24** .12** .20** .01 .17** .15** .17** .26** .34** -
      Institutionele drijfveren 13. Vertrouwen in de politie 3.21 .73 -.06* .38** -.27** -.25** .27** .21** .03 .25** .76** .30** .34** .08** -
      14. Legitimiteit politie 3.57 .73 .08** .21** -.09** -.08** -.05 .05 .09** .10** .28** .12** .14** .12** .41**
      15. Empowerment 3.10 .71 -.04 .20** -.16** -.17** -.18** .20** .10** .12** .43** .29** .45** .19** .46** .23**
      Demografische variabelen 16. Leeftijd 59.76 12.34 -.11** .05 .01 .01 .04 .08* .01 .50 -.01 .10** .00 .01 .03 -.09** -.01
      17. Geslachta 1.39 .49 -.00 .01 -.01 .03 .02 -.08 -.13** -.03 .01 -.02 .03 -.08** .07* -.06* .04
      18. Opleiding n/a n/a -.10** .02 .00 -.07 -.13** .03 -.05 .02 .02 -.03 .04 .10** .02 .03 .16**

      * p < 0,05, ** p < 0,01, a gemeten op een 7-puntsschaal (in tegenstelling tot een 5-puntsschaal), b 1 = man, 2 = vrouw, N = 1245.

      Tabel 2 Meldgedrag verleden (N = 1098, R2 = .18)
      Psychologische drijfverenβS.E. βtp
      Risicoperceptie – Consequenties -.04 0.03 -0.84 .40
      Risicoperceptie – Kans .34 0.05 6.69 <.001
      Negatieve emoties .07 0.04 1.70 .09
      Altruïstische waarden -.08 0.03 -2.46 .01
      Egoïstische waarden -.02 0.03 -0.79 .43
      Self-efficacy .28 0.04 7.19 <.001
      Response efficacy .09 0.07 1.29 .20
      Buurtgevoel -.09 0.05 -1.94 .05
      Collective efficacy -.07 0.06 -1.07 .29
      Burgerparticipatie .18 0.04 4.55 <.001
      Vertrouwen in politie -.12 0.07 -1.75 .08
      Legitimiteit politie .15 0.04 3.31 <.01
      Empowerment -.02 0.05 -0.30 .76

      Tabel 3 Bereidheid melden criminaliteit (N = 1245, R2 = .20)
      Psychologische drijfverenβS.E. βTp
      Risicoperceptie – Consequenties .05 0.06 0.87 .39
      Risicoperceptie – Kans .06 0.06 1.02 .31
      Negatieve emoties -.05 0.05 -1.11 .27
      Altruïstische waarden .07 0.04 1.87 .06
      Egoïstische waarden -.02 0.03 -0.62 .54
      Self-efficacy .25 0.05 5.43 <.001
      Response efficacy .46 0.08 5.59 <.001
      Buurtgevoel -.02 0.06 -0.33 .74
      Collective efficacy .08 0.08 1.08 .28
      Burgerparticipatie .01 0.05 0.25 .80
      Vertrouwen in politie .23 0.08 2.93 <.01
      Legitimiteit politie .16 0.05 3.09 <.01
      Empowerment -.06 0.06 -1.02 .31

Dit artikel is gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd als onderdeel van een promotieonderzoek aan de Universiteit Twente onder begeleiding van prof. dr. J.H. Kerstholt, dr. P.W. de Vries en prof. dr. E. Giebels.

Print dit artikel