DOI: 10.5553/TvH/1568654X2019019002004

Tijdschrift voor HerstelrechtAccess_open

Artikel

Transmuraal herstelgericht werken

Nieuwe conceptuele landkaart naar succesvol re-integreren

Trefwoorden gedetineerden, re-integratie, herstelgerichte detentie, strength-based benadering
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Bart Claes. (2019). Transmuraal herstelgericht werken. Tijdschrift voor Herstelrecht (19) 2, 30-46.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      ‘Herstel in de gevangenis, niks nieuws, dat is hier al bijna tien jaar, we werken aan herstelgerichte detentie’, antwoordde een inrichtingshoofd van een Nederlandse penitentiaire inrichting op een vraag naar de betekenis van herstelgerichte activiteiten en vormingen. Het is niet ongewoon dat we onze verwondering verliezen over bewegingen en ontwikkelingen die de afgelopen jaren invloed hebben gehad op de penitentiaire strafuitvoering. Gedetineerde burgers, penitentiair personeel, inrichtingshoofden en andere professionals in de Nederlandse en Belgische gevangenissen zijn niet langer verrast door de aanwezigheid van herstelbemiddeling, herstelgerichte activiteiten of trainingen en de aandacht voor slachtoffers. De aanwezigheid van herstel heeft zelfs een bepaalde vanzelfsprekendheid gekregen.
      De afgelopen 25 jaar kennen we een verhoogde aandacht voor slachtoffers in het Nederlands en Belgisch strafrechtelijke beleid, die gepaard gaat met een meer slachtofferbewust en herstelgericht detentiebeleid. Net zoals in andere Europese landen, de Verenigde Staten en Canada kennen we in penitentiaire inrichtingen een verscheidenheid aan herstelgerichte praktijken, zoals herstelbemiddeling en de cursussen Dapper, Puinruimen of Slachtoffer In Beeld (Zebel et al. 2016). Herstelgericht werken met daders in een detentieomgeving is er primair op gericht om een bewustwordings- en herstelproces op gang te brengen onder daders die veroordeeld zijn voor een delict. Deze manier van werken sluit ook aan bij de pijlers van het Belgische Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) en de Nederlandse Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) die belast zijn met het detineren van strafrechtelijk veroordeelden. Zowel DG EPI als DJI streven naar een meer herstelgerichte gevangeniscultuur met een meer open en herstelgericht klimaat in de inrichtingen (onder gedetineerden en het personeel) zodat er meer en betere mogelijkheden ontstaan om herstelgericht te werken.
      In navolging van de Belgische initiatieven om te komen tot herstelgerichte detentie (Robert 2004; Claes & Duerloo 2008) wordt ook in Nederland tot doel gesteld om de penitentiaire inrichtingen an sich aan te passen aan herstelgerichte waarden en principes. DJI streeft de komende jaren naar een meer herstelgerichte gevangeniscultuur: een meer open en herstelgericht klimaat in de inrichtingen (onder gedetineerden en het personeel), zodat er meer en betere mogelijkheden ontstaan om slachtoffer- en herstelgericht te werken (zie Zebel et al. 2016; Nelissen 2017; Slump 2017). Herstel staat hierdoor als doel bij de uitvoering van de vrijheidsberovende straf naast de doelen van rehabilitatie, beperking van de detentieschade en de sociale re-integratie van de gedetineerde burger. Het herstelgericht werken in detentie heeft niet alleen betrekking op de aanwezigheid van herstelgerichte praktijken in de inrichting, maar beoogt ook de wijziging van de inrichting naar cultuur, gevangenisregime en beoogde doelen. Vraag blijft of dit streven naar ‘herstelgerichte detentie’ de belangrijke stap is voor penitentiaire inrichtingen om de gedetineerde burger tot een succesvolle re-integratie te brengen. De focus ligt zo op het systeem, een inrichting met zijn cultuur en structuur, in plaats van op het detentie- en re-integratietraject van de gedetineerde burger.
      In dit artikel pleit ik voor het verschuiven van het herstelgericht werken naar een succesvolle re-integratie van het systeem naar het individu. Ik vestig de aandacht op een nieuwe conceptuele landkaart van transmuraal herstelgericht werken gericht op een positief effect op het vermogen van de gedetineerde burger om te stoppen met misdaad. Ik geef een overzicht van de verschillende bestanddelen van deze conceptuele landkaart.

    • 2 Blijvend spanningsveld tussen herstel en detentie

      In het herstelrecht beschouwen we criminaliteit als een sociaal conflict waarbij dader, slachtoffer en samenleving betrokken zijn. Herstelgerichte praktijken en het herstelgericht werken beogen dit conflict weer terug te geven aan de betrokken partijen. De pleger van een misdrijf wordt verantwoordelijk gehouden voor zijn daad en krijgt een actieve rol in het herstel van de schade ten aanzien van het slachtoffer en de samenleving. Bij slachtofferloze delicten of delicten waar de schade moeilijk te definiëren is, wordt de rechtvaardiging gezocht in het herstellen van de sociale orde en de verstoorde relatie tussen pleger en samenleving.
      Al meer dan twee decennia benadrukken auteurs dat herstel in penitentiaire inrichtingen allerminst evident is (Robert & Peters 2002; Van Garsse 2001). Herstel en detentie kenmerken zich vanuit een zeer verscheiden achtergrond en doelstellingen. Daarenboven worden beide begrippen gekarakteriseerd door een grote diversiteit aan achterliggende kaders, concepten en doelen, waardoor de samenvoeging van beide wordt geproblematiseerd. Enerzijds kenmerkt herstel zich door het betwisten van een eenzijdige retributieve oriëntatie ten aanzien van de pleger en wordt de nadruk gelegd op het herstel van de schade die voortvloeit uit de gepleegde strafbare feiten. Anderzijds laat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsberovende straf zich nog steeds onderscheiden als de belangrijkste vertegenwoordiger van dit retributief denken. Beide begrippen – herstel en detentie – worden gekarakteriseerd door een verscheidenheid aan achterliggende doelstellingen en praktijken. Die controverse in herstelgericht werken in detentie wordt door Nelissen (2017) ook kort aangeraakt in dit tijdschrift. Deze auteur legt in zijn bijdrage de nadruk op de legitimiteit van herstelgerichte detentie vanuit de logica van herstelgerichte vergelding en het belang van een gunstig herstelgericht leefklimaat in penitentiaire inrichtingen. Het staat namelijk buiten kijf dat het positief effect van welk programma dan ook in een inrichting mede afhankelijk is van de aanwezigheid van een stimulerende detentieomgeving. Dit is dus ook zo voor herstelgerichte programma’s.
      Nog meer dan herstel, zijn vooral de vrijheidsberovende straf en de uitvothering ervan onderhevig aan een verscheidenheid aan inhoud en daaraan gerelateerde principes. Debatten over de doelstellingen van de vrijheidsberovende straf kunnen geplaatst worden binnen de theoretisch-juridische uitgangspunten van het bestraffingsdenken. Straftheorieën worden op een traditionelere wijze vaak ingedeeld in twee benaderingswijzen, retributivistische en utilitaristische stromingen. De vrijheidsberovende straf staat nog steeds voor het achterliggende punitief-retributief denken waarop de gevangenis traditioneel is gefundeerd. Retributie in de vorm van morele afkeuring maakt inherent deel uit van de gelegitimeerde doelstellingen van de vrijheidsberovende straf die haar uitvoering krijgt in de penitentiaire inrichting (Van Zyl Smit & Snacken 2009). Naast deze morele afkeuring en normbevestiging wordt ook afschrikking nog steeds genoemd als gelegitimeerde doelstelling van de vrijheidsberovende straf. Generale preventie veronderstelt een gedragsbeïnvloeding van de gehele maatschappij of van bepaalde groepen die worden geassocieerd met een verhoogd risiconiveau. Individuele of speciale preventie richt zich op de veroordeelde en het risico op terugval of recidive. Ook bescherming van de maatschappij blijft vandaag de dag sterk aanwezig als gelegitimeerde doelstelling van de vrijheidsberovende straf. De Belgische en Nederlandse strafrechtsbedeling kenmerkt zich, net als in andere Europese landen, door een combinatie van deze retributivistische en utilitaristische elementen die van tijd tot tijd een groter of kleiner belang krijgen. Kijk maar naar de recente wetsvoorstellen van de Nederlandse minister Sander Dekker en de Belgische minister Koen Geens in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering en de verzwaring van de toekenning tot voorwaardelijke invrijheidstelling. Vanzelfsprekend hebben deze verschuivingen tussen doelstellingen van de vrijheidsberovende straf hun effect op de concrete uitvoering van de vrijheidsberovende straf van een gedetineerde burger.
      Meer nog, de vrijheidsberovende straf wordt uitgevoerd in een penitentiaire inrichting die zich sterk onderscheidt van andere instituten. De penitentiaire inrichting omvat een geheel aan processen en structuren die zich concretiseren in de relaties, culturele eigenschappen, structurele en architecturale karakteristieken (Claes 2012; Crewe 2009). De uitvoering van de vrijheidsberovende straf vindt plaats in een context van onevenwichtige machtsrelaties, de aanwezigheid van deprivaties en psychosociale gevolgen voor gedetineerde burgers en het penitentiair personeel. De inrichting is een complexe, dynamische organisatie waarin een verscheidenheid aan invullingen van de gelegitimeerde doelstellingen worden samengebracht met de eigen processen en structuren. Niet verwonderlijk dus dat herstelgericht werken door gedetineerde burgers en penitentiair personeel als vreemd van hun leef- en werkcontext ervaren wordt.
      Bespiegelingen over herstel in een penitentiaire inrichting komen dan ook vaak uit bij het initiëren van een herstelgericht leefklimaat of herstelgerichte cultuur. Zo wordt enerzijds geduid dat een gunstig herstelgericht leefklimaat in penitentiaire inrichtingen noodzakelijk is om herstelgerichte activiteiten zoals de cursus Puinruimen, of herstelbemiddeling tot zijn recht te laten komen (Nelissen 2017; Claes & Shapland 2017). Anderzijds wordt het aanbrengen van een herstelgericht leefklimaat, cultuur en structuur in een penitentiaire inrichting gezien als het doel van herstelgerichte detentie. Herstel in detentie krijgt een institutioneel veranderingspotentieel toegedicht (Cornwell 2009 en 2010; Blad 2007). Het Belgische DG EPI en de Nederlandse DJI, die belast zijn met het detineren van strafrechtelijk veroordeelden, streven naar een meer herstelgerichte gevangeniscultuur met een meer open en herstelgericht klimaat in de inrichtingen (onder gedetineerden en het personeel) zodat er meer en betere mogelijkheden ontstaan om herstelgericht te werken.
      Zo kenden de Belgische penitentiaire inrichtingen van 2000 tot 2007 herstelconsulenten. Vanaf 2008 worden herstelgerichte activiteiten, structuren, cultuur en verworvenheden in elke inrichting verankerd in het management- en operationeel plan en de bijhorende financieringsvormen (Claes & Duerloo 2008). Ook in Nederlandse penitentiaire inrichtingen wordt op management- en operationeel niveau een herstelplan opgemaakt en hebben sommige inrichtingen een herstelconsulent in dienst (Slump 2017; Claes 2019). In beide landen wordt tot doel gesteld om de penitentiaire inrichtingen an sich aan te passen aan herstelgerichte waarden en principes. Maar juist in die doelstelling, het aanbrengen van een herstelgericht leefklimaat, cultuur en structuur in een penitentiaire inrichting, lijkt het herstelgericht werken zich steeds vast te rijden. Het lukt niet om met herstelgerichte activiteiten en aanpak door te breken in het leven en werken in de inrichting.
      Dat hervormend potentieel naar een herstelgericht leefklimaat, cultuur en structuur in een penitentiaire inrichting, spreekt sterk tot de verbeelding. Herstel wordt gezien als een krachtige motor tot verandering, zowel in de strafrechtsbedeling als in penitentiaire praxis. Dergelijke hervormende discoursen zijn bijna even oud als de gevangenis zelf (Foucault 1989: 321). Voor Brossat (2001) en Artières et al. (2004) wordt de gevangenis maatschappelijk getolereerd juist omdat ze blijvend onderwerp is van kritiek. Zij wordt steeds in vraag gesteld en aansluitend voorzien van de zogenaamde essentiële hervormingen, zoals nu naar een herstelgerichte cultuur en structuur. Foucault (1989: 323) gaat nog een stap verder in zijn reflecties over het ‘probleemoplossend’ potentieel op institutioneel niveau. De gevangenis wordt voor hem vanaf zijn ontstaan vergezeld van een verscheidenheid aan ‘hervormende’ initiatieven die deel uitmaken van het functioneren van de gevangenis. Anders gesteld, de zogenaamde ‘hervormende’ discoursen bekrachtigen ons blijvend geloof in dé gevangenis, en, in essentie, blijft een inrichting gericht op disciplinering en normalisering.
      Vraag blijft of dit streven naar ‘herstelgerichte detentie’ de belangrijke stap is voor penitentiaire inrichtingen om de gedetineerde burger tot een succesvolle re-integratie te brengen. De focus ligt zo op het systeem, een inrichting met zijn cultuur en structuur, in plaats van op het detentie- en re-integratietraject van de gedetineerde burger. Herstel wordt de afgelopen jaren duidelijk verbonden met rehabilitatie, meer bepaald met het cliëntgericht veranderingspotentieel bij de gedetineerde burger (Pollock et al. 2012). Herstelgericht werken in detentie krijgt een uitdrukkelijke plaats ten aanzien van de morele en sociale re-integratie van de individuele gedetineerde burger (Hass & Saxon 2011). Waar herstel en detentie het afgelopen decennium vooral een systemische invulling kregen ten aanzien van de inrichting, ligt bij transmuraal herstelgericht werken de nadruk op het herstelgerichte traject van morele en sociale re-integratie van de individuele gedetineerde burger. Belangrijk hierbij is de verschuiving van het systeem naar het individu in het herstelgericht werken in detentie.

    • 3 Bruggenbouwers in herstel: transmuraal werken

      In het herstelrecht wordt criminaliteit gezien als een sociaal conflict geplaatst in de zogenaamde driehoek van dader, slachtoffer en samenleving als betrokken partijen. Ook in herstelgerichte praktijken en het herstelgericht werken hebben we aandacht voor de deelname van de bredere samenleving. Denken we hierbij aan de family group conferences, het herstelgericht groepsoverleg of andere aanverwante herstelgerichte praktijken zoals Circles of Accountability en Support (COSA). Echter in het herstelgericht werken in detentie blijkt die dimensie ‘gemeenschap’ sterk afwezig te blijven. De nadruk ligt sterk op de pleger van een misdrijf die verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn daad en het herstel van de schade ten aanzien van het slachtoffer. De bredere, lokale samenleving van burgers, vrijwilligers of professionals in organisaties in de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden, lijkt vaak afwezig in zowel het discours als de concrete praktijk van herstel in detentie.
      Die verbinding tussen burger, vrijwilliger en professional, en de gedetineerde burger wordt steeds belangrijker. Het is die verbinding tussen de gedetineerde burger en de lokale buurt, wijk en sociaal netwerk die mede bepalend is voor de slaagkansen te stoppen met criminaliteit (Claes 2017). Onderzoek van de afgelopen vijftig jaar leert ons dat het nazorgtraject na een verblijf in een penitentiaire inrichting een van de belangrijkste elementen is om terugval te voorkomen. Door de leefomstandigheden (woning, werk, enzovoort) na detentie te verbeteren, neemt de kans op terugval of recidive af, terwijl gedetineerde burgers vandaag de dag juist op deze leefgebieden enorme uitdagingen ervaren. Om die reden wordt al tijdens het verblijf in een penitentiaire inrichting gestart met het voorbereiden op de terugkeer in de buurt en het eigen sociaal netwerk.
      Dat sociale netwerk van de gedetineerde burger speelt een belangrijke rol bij een succesvolle terugkeer in de samenleving. Zo is bekend dat familieleden en vrienden de kans op terugval of recidive kunnen verkleinen en de levensomstandigheden van de gedetineerde burger kunnen verbeteren. Het sociale netwerk kan echter ook deviant of crimineel gedrag in de hand werken, want mensen die deel uitmaken van een crimineel netwerk hebben een grotere kans om crimineel gedrag aan te leren en betrokken te raken bij dergelijke activiteiten. Uit onderzoek (Claes 2017) leren we dat sociaal kapitaal, de verbinding met het meer intieme sociale netwerk als gezin en familie, cruciaal is voor het stoppen met criminaliteit. Bij afwezigheid van zo’n sociaal netwerk kunnen vrijwilligers een ondersteunende rol vervullen (Vogelvang 2010). Ook kinderen van gedetineerde ouders maken deel uit van dit sociaal netwerk. Deze gezins- en partnerrelaties, het positief sociaal kapitaal, worden gezien als een onmisbaar element voor het tegengaan van terugval en het voortaan afzien van criminaliteit.
      Ook lokale besturen, organisaties en vrijwilligers willen een belangrijkere rol innemen in de re-integratie van gedetineerde burgers. Zo hebben Nederlandse gemeenten met de Wet maatschappelijke ondersteuning sinds 1 januari 2015 een belangrijke verantwoordelijkheid voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van burgers met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Het gaat om het geven van kansen en het weer meedoen in de maatschappij. Ook in België zijn heel wat organisaties in de hulp- en dienstverlening, zoals de geestelijke gezondheidszorg, het algemeen welzijn, tewerkstelling, enzovoort, actief in penitentiaire inrichtingen. Het afgelopen decennium zien we in Nederland en België de ontwikkeling naar een participatiesamenleving. Deze brengt enerzijds een verschuiving van collectieve naar individuele verantwoordelijkheid, waarbij burgers steeds meer zelf tot een oplossing moeten komen voor hun uitdagingen. Anderzijds rust er op institutioneel niveau, met de verschuiving naar meer informele circuits, weg van de overheidsinstanties, meer verantwoordelijkheid op de schouders van burgers, buren en netwerken. Er wordt meer en meer verwacht dat burgers solidair zijn met elkaar, en dus ook met gedetineerde burgers.
      Tegelijkertijd zien we met deze ontwikkelingen dat er meer en meer een beroep wordt gedaan op de verantwoordelijkheid van mensen voor hun eigen zorg. Er wordt van burgers die op problemen stuiten verwacht niet direct naar het voorzieningenaanbod te kijken maar eerst na te gaan welke oplossingen ze zelf kunnen zoeken. Pas wanneer hun eigen mogelijkheden en die van hun directe sociale omgeving zijn uitgeput, kunnen ze een beroep doen op de publiek gefinancierde ondersteuning. Ook wordt een grote rol toegedicht aan allerlei verbanden in de samenleving: familie en vrienden (directe sociale omgeving), maar ook sportverenigingen en andere vrijwilligersorganisaties, religieuze verbanden en buurten. Deze oriëntatie op de eigen verantwoordelijkheid is niet anders voor gedetineerde burgers die zelf verantwoordelijk zijn voor de eigen re-integratie. Deze persoonsgerichte benadering betekent dus niet alleen op maat werken, maar tegelijkertijd het benadrukken van de verantwoordelijkheid van de gedetineerde burger. Die burger heeft daarbij als het ware zelf de sleutel in handen voor een geslaagde terugkeer in de vrije maatschappij. Met zijn gedrag en inspanningen laat de gedetineerde burger zien dat hij bereid is te investeren in zichzelf. Echter deze nadruk op eigen verantwoordelijkheid, kan op gespannen voet staan met zijn eigen krachten en mogelijkheden.
      Zowel in Nederland als België vormen heel wat organisaties, zoals welzijnsorganisaties, zorginstellingen en maatschappelijke- en vrijwilligersorganisaties, de brug naar detentie. Op lokaal niveau brengt dat in zorg, werk, wonen en andere levensdomeinen heel wat uitdagingen met zich mee, evenals het faciliteren van de samenwerking tussen al deze organisaties. Dit samenwerken over de muren van detentie veronderstelt dat deze organisaties, lokale besturen, vrijwilligers en professionals zich als partners tot elkaar verhouden. De gedetineerde burger is als het ware hun gezamenlijke eindklant. Werken binnen-buiten, over de muren, transmuraal betekent voor inrichting en partnerorganisaties een integrale aanpak, die tegelijkertijd op maat is van de burger en waarin zowel de burger, zijn netwerk als breder de maatschappij een duidelijke plaats heeft. Het betekent een sterke betrokkenheid vanuit detentie naar buiten, maar ook omgekeerd van organisaties, lokale besturen en vrijwilligers die volwaardig deel kunnen uitmaken van re-integratietrajecten.
      Werken binnen-buiten houdt in dat penitentiaire inrichting en organisaties binnen-buiten de muren met elkaar fasegericht werken, op maat van noden, behoeften, risico’s en krachten van de gedetineerde burger. Dat veronderstelt dus tegelijkertijd multidisciplinariteit, gericht op expertise delen, maar ook zoeken naar een meer gemeenschappelijk, overkoepelend kader en aanpak waarin elke expertise maximaal een plaats heeft. Transmuraal werken staat dus voor een integrale aanpak, waarbij betrokken inrichtingen, organisaties en (lokale) overheden de gedetineerde burger, en zijn gefaseerd traject en morele en sociale re-integratie, centraal stellen (Claes 2019). In het herstelgericht werken in detentie is dit transmuraal element, over de muren van detentie heen, een belangrijke onderscheidende dimensie die de penitentiaire inrichting en organisaties, professionals, vrijwilligers en gedetineerde burgers met elkaar verbindt. Deze transmurale dimensie sluit zowel het systemisch denken tussen inrichtingen en organisaties in, terwijl het individuele traject naar morele en sociale re-integratie het vertrekpunt en hoofdbestanddeel blijft.

    • 4 Een nieuwe conceptuele landkaart van herstelgericht werken

      De re-integratie van gedetineerde burgers is een complex proces en omvat hun terugkeer in lokale sociale netwerken en de bredere samenleving. Professionals, vrijwilligers, en eigenlijk breder alle burgers, hebben behoefte aan een breed kader dat hen kan ondersteunen om te gaan met de uitdagingen die gepaard gaan met het re-integreren van een gedetineerde burger. Dat breed kader biedt hen ook duidelijkheid en perspectief in het omgaan met die uitdagingen. Transmuraal herstelgericht werken biedt zowel voor penitentiaire inrichtingen, organisaties buiten detentie, lokale besturen, vrijwilligers en gedetineerde burgers een conceptuele landkaart. Deze landkaart geeft in dat opzicht richting aan de belangrijkste thema’s, zoals de algemene doelen van een morele en sociale re-integratie, de herstelgerichte praktijken, de invulling van wat sterktes en risico’s inhouden, de algemene oorzaken van criminaliteit en de oplossingen om met misdaad te stoppen. Het gaat ook over hoe we met gedetineerde burgers omgaan en werken, hoe we hun behoeften in evenwicht brengen met die van de samenleving, het slachtoffer en het sociaal netwerk van de gedetineerde burger. Het gaat dus over het hoe te komen tot herstel en legt hierin nieuwe accenten.

      4.1 Van risico naar kracht

      Transmuraal herstelgericht werken biedt een conceptuele landkaart voor burgers, professionals, vrijwilligers en organisaties waarbij afstand wordt genomen van het huidige gevaar- en risico-denken. Gedetineerde burgers worden de afgelopen jaren vaak vanuit een risico-denken benaderd. Doel daarvan is het trachten in te schatten van het risico op terugval of recidive met aandacht voor riskmanagement, actuarial justice en de risk-needs-discoursen en praktijken. De focus bij deze riskbenadering ligt op het in beeld krijgen, onder meer via onderzoek, van de factoren die terugval of het opnieuw plegen van criminaliteit weten te voorspellen. We kijken naar deze factoren bij de gedetineerde burger als enerzijds mogelijke risicofactoren die we gaan trachten te ondervangen, of anderzijds als beschermende factoren die het risico neutraliseren. De focus op het risico of gevaar tot recidive heeft geleid tot een dominantie van risicomanagement bij interventies (Pratt 2007; Kelk 2015). Gedetineerde burgers bezien vanuit het oogpunt van gevaarlijkheid voor de medeburger of zichzelf, betekent dat we de maatschappij tegen hen moeten beschermen. Deze gevaarlijkheid van het individu wordt als rechtvaardiging gebruikt bij interventies.
      In het kijken vanuit risico’s en het voorkomen van risico’s en gevaar, wordt er vooral aandacht besteed aan de beheersing van maatschappelijke problemen, waardoor de nadruk komt te liggen op maatschappelijke en individuele tekortkomingen. Het gevaar of het risico voor de maatschappij is in dat opzicht belangrijker dan de eigenlijke kwetsuren, problemen, psychiatrische problematiek van de gedetineerde burger. Ook het instituut van de gevangenis, als een belangrijk sluitstuk binnen het strafrechtelijke landschap, is onderhevig aan dit risico-denken. Zo beschrijven Garland (2001) en Pratt (2007) de wijzen waarop de doelstellingen verbonden aan een penitentiaire inrichting wijzigen van een systeem dat is gericht op het rehabiliteren van de gedetineerde naar een systeem waarin riskmanagement, sociale controle en het beveiligen van de bredere maatschappij voorop staan. Vanuit dit risico-denken associëren we een penitentiaire inrichting eerder met het uitsluiten van een risicovolle en gevaarlijke subgroep van deelname aan de maatschappij, dan van het insluiten en versterken van de morele en sociale re-integratie van gedetineerde medeburgers.
      In het transmuraal herstelgericht werken ligt de nadruk niet op de tekortkomingen, probleemgebieden of risico’s, maar op de sterktes en capaciteiten van de gedetineerde burger. In het herstelgericht werken staan de eigen krachten en groeimogelijkheden van de gedetineerde centraal (Ward et al. 2014). Uitgangspunt is steeds dat gedetineerde burgers, ook bij tegenspoed en beperkingen in het functioneren, de kracht en het vermogen hebben om te herstellen, hun leven weer op te pakken, te veranderen en te streven naar een kwaliteitsvol leven (Maruna 2016). De grenzen van de mogelijkheden voor groei en verandering liggen niet al bij voorbaat vast, meer nog, ook voor hen is de toekomst allerminst al vastgelegd. Anders gesteld, ook zij hebben de mogelijkheid boven zichzelf uit te stijgen. Professionals en vrijwilligers hebben als opdracht de gedetineerde burger te ondersteunen bij het verkrijgen van inzichten in de eigen situatie en de eigen waarden, alsook in de eigen krachten en mogelijkheden. Er wordt steeds ingezet op een maximale benutting en vooral versterking van de krachten en competenties van de burger, inclusief de versterking van het sociaal netwerk rond de burger. Doel van elke vorm van ondersteuning vanuit sterktegerichte strategieën is een verbeterde kwaliteit van het dagdagelijks leven van de gedetineerde burger.
      Naast de focus op de krachten, kwaliteiten en capaciteiten van de gedetineerde burger richt elke herstelgerichte tussenkomst in een penitentiaire inrichting zich steeds op de vraag hoe een goed, kwaliteitsvol leven, buiten opgebouwd kan worden. Met herstelgericht werken leggen we de focus op de verklaringen voor hoe en waarom mensen stoppen met bepaald deviant gedrag en een goed leven opbouwen. De focus is dus niet het deviante gedrag en de risicofactoren voor terugval of recidive maar de factoren die de morele en sociale re-integratie versterken. Binnen de literatuur en wetenschappelijk onderzoek halen we onze inspiratie uit de benadering van desistance from crime (Claes & Shapland 2017). We kijken naar de wijze waarop bepaalde factoren de rehabilitatie en re-integratie van de burger kunnen versterken. Anders gesteld, het gaat dus om het verrijken van het re-integratietraject van een gedetineerde burger met deze desistance-factoren zoals motivatie, hoop, cognitieve veranderingen en het sociaal netwerk, en met de structurele factoren zoals wonen, werk, zorg.

      4.2 Herstelgericht werken en agency

      Wanneer we denken aan een geslaagde re-integratie, komen al snel en bijna automatisch de meer structurele voorwaarden als werk en huisvesting naar voren. In Nederland wordt dan gerefereerd aan de vijf basisvoorwaarden: werk en inkomen, woonruimte, ID-bewijs, schulden en zorg. Deze structurele elementen zijn bepalend voor een succesvolle re-integratie (Farrall et al. 2014). Naast deze structurele elementen heeft het proces van het stoppen met misdaad betrekking op de dader zelf. Het gaat zowel om het nemen van beslissingen om te stoppen als om het uitvoeren van acties en activiteiten om dit proces tot een goed einde te brengen. De beslissing van de dader om te stoppen – zijn of haar agency – is essentieel voor het proces van het loskomen van misdaad. Een van de eerste theoretische benaderingen van dit proces richtte zich op het idee dat ex-delinquenten een rationeel besluit nemen om te stoppen met misdaad (Clarke & Cornish 1985).
      Het herstelgericht werken biedt de mogelijkheid tot cognitieve veranderingen in het denken van de burger. Verschillende triggers zoals ‘ik wil een nieuwe papa zijn voor mijn zoon’ kunnen de wens tot verandering voortbrengen waardoor gedetineerde burgers anders over zichzelf, hun omgeving en hun potentiële toekomstige leven gaan denken (Giordano et al. 2002; Bottoms & Shapland 2016). Aandacht is er voor het innerlijke gesprek van de gedetineerde burger, waarin de voor- en nadelen van stoppen worden afgewogen, en hoe dit bij hun waarden aansluit. Dit innerlijke gesprek is meer dan alleen rationele besluitvorming en omvat een emotionele beoordeling van wat de gedetineerde burger voelt bij zijn eigen criminele verleden en toekomstige prosociale plannen en activiteiten (Vaughan 2007).
      Paternoster en Bushway (2009) zien stoppen als een bewust genomen besluit dat in de loop van de tijd gepaard zal gaan met positievere redenen om veranderingen te wensen. Ze zien de processen van werken aan zichzelf als een steeds doorlopend project. De toekomstige keuzes van gedetineerde burgers worden niet alleen beïnvloed door veranderende cognities, maar ook door een latent begrip van zichzelf, hun verleden en hun omgeving (Farrall et al. 2014). Deze informatie wordt gebruikt om hun (nieuwe) identiteit vorm te geven, hun gedrag te sturen en orde en samenhang aan hun sociale wereld te geven.
      Herstel is een persoonlijk, emotioneel én cognitief rijpingsproces bij de gedetineerde burger en vaak wordt dan verwezen naar het zelfherstel van de burger. Dat individuele vermogen om keuzes te maken en te handelen (agency), vormt een belangrijk onderdeel van het herstel ten aanzien van zichzelf, en dus vanuit de wederkerigheid van de verbindingen van de gedetineerde burger, met effect op het herstel ten aanzien van de samenleving. In het conceptueel kader van herstelgericht werken is het dus van belang oog te hebben voor de wijzen waarop de gedetineerde burger zichzelf begint te zien en door anderen (sociaal netwerk, maatschappij, professionals) wordt gezien.
      Het onderzoek van de afgelopen decennia naar verslaving, dak- en thuisloosheid, forensische psychiatrie, geestelijke gezondheid en stoppen met misdaad, heeft een heel complex en genuanceerd beeld opgeleverd van de achterliggende oorzaken. Steeds is het duidelijk dat het gaat om een wisselwerking tussen het individuele vermogen van de gedetineerde burger om keuzes te maken en te handelen (agency) en meer structurele factoren (werk, wonen, netwerk, enzovoort). Motivatie en cognitieve elementen zijn binnen dit veranderingsproces van cruciaal belang. Precies die elementen hebben een duidelijke link met herstelgericht werken gezien hun potentieel om sociaal en menselijk kapitaal te bevorderen (Claes & Shapland 2017). Die herstelgerichte processen bieden ook aanknopingspunten om structurele uitdagingen (werk, opleiding) voor het niet-recidiveren of het stoppen met criminaliteit aan te gaan.

      4.3 Belang van sociaal netwerk en wederkerigheid

      De verbinding re-integratie en herstelgericht werken wordt de afgelopen jaren heel sterk geassocieerd met de morele en sociale re-integratie van, of het veranderingspotentieel bij, de gedetineerde burger. Ook de band tussen individu, sociaal netwerk en samenleving is cruciaal om succesvol te re-integreren. Crimineel handelen wordt waarschijnlijker wanneer de banden van de dader met verschillende sociale instituties zoals het gezin worden verzwakt of verbroken (Sampson & Laub 1993). De sociale bindingen tussen gedetineerde burger, netwerk en maatschappij kunnen door belangrijke gebeurtenissen of ‘keerpunten’ versterkt worden, maar ook verzwakt of zelfs teniet gedaan worden. Deze ‘keerpunten’ en sleutelgebeurtenissen kunnen dus een positief effect hebben op het proces te stoppen met misdaad.
      Het handelen en de invloed van ondersteunende derden uit het sociale netwerk rond de dader – partners, kinderen, familieleden, vrienden, sleutelpersonen – zijn van vitaal belang bij zowel de initiële beslissing om af te zien van misdaad als bij de volharding dat spoor te blijven bewandelen. Het onderzoek van Cid & Marti (2015) wijst op het belang van sociale steun in het proces te stoppen met criminaliteit, in het bijzonder van kinderen en familie. Dat genereert gevoelens van wederkerigheid en verklaart de motivatie om van levensstijl te veranderen, daarin te volharden en te zoeken naar aanknopingspunten daarvoor. De verbinding tussen de gedetineerde burger en zijn sociaal netwerk versterkt het sociaal en menselijk kapitaal en versterkt de onderlinge verbindingen en relaties (Claes & Shapland 2017; Pintelon 2017).
      Waar sociale steun vanuit het sociaal netwerk, familie en kinderen naar de gedetineerde burger een succesvolle re-integratie ondersteunt, heeft het gebrek aan aandacht voor deze verbindingen heel wat negatieve effecten tijdens de detentie. Zo weten we dat vaders die noodgedwongen gescheiden worden van hun kinderen, juist meer verlangen naar betrokkenheid bij hun kinderen (Nurse 2002) of meer ouderschapsstress ervaren, wat kan leiden tot agressief en gewelddadig gedrag of tot depressie (Loper 2009). Kortom, gebrek aan aandacht voor vaderschap in detentie vormt een risicofactor voor het welzijn van gedetineerde vaders.
      Herstelgericht werken in detentie met het sociale netwerk heeft ook positieve effecten voor familie en kinderen. De detentie vormt namelijk een risico op het welzijn binnen een gezin. Denken we hierbij aan het effect op de sociale binding binnen het gehele gezin of aan de negatieve effecten op het kind zoals traumatische stress, problemen op school, armoede, een negatief zelfbeeld, gedragsproblemen, depressie, angst, verslaving, schaamte of stigmatisering. Meer nog, in de literatuur worden deze kinderen ook wel eens de ‘tweede generatie gevangenen’ genoemd (Novero et al. 2011). Zij hebben een veel hogere kans om zelf veroordeeld of gedetineerd te worden dan andere kinderen.
      Het herstelgericht werken richt zich niet alleen op de gedetineerde burger en zijn sociaal netwerk maar ook op de bredere maatschappij. Naast het aanvaarden van de waarden en normen door de gedetineerde burger, dient ook de maatschappij de gedetineerde weer te aanvaarden of accepteren als een ‘hervormd’ persoon. Een herstelgerichte re-integratie in de wijk of buurt gaat niet alleen om herstel ten aanzien van het slachtoffer, zichzelf en zijn netwerk, maar ook om de verbinding met de maatschappij. De sociale re-integratie in de maatschappij is een wederkerig proces van wederzijdse verantwoordelijkheid. Het gaat om de aanvaarding in de maatschappij, in de lokale buurt, de nieuwe werkplek of in relatie met vrienden en familie. Ook in dit wederkerig proces tussen maatschappij en burger heeft het herstelgericht werken een belangrijke rol te vervullen. Gedetineerde burgers die een misdrijf hebben gepleegd, en dus niet-geoorloofd gedrag hebben vertoond, kunnen hier legitiem op worden aangesproken, maar wanneer de straf is uitgevoerd, dan dient de morele status in de samenleving te worden hersteld. Ze hebben hun schuld ten aanzien van de samenleving ingelost, en hebben recht op opname binnen de samenleving. In dat opzicht is re-integratie steeds geborgen in een relatie van wederkerigheid.

    • 5 Transmuraal herstelgericht werken in vier verbindingen

      Werken binnen-buiten, over de muren heen, transmuraal betekent voor de penitentiaire inrichting en partnerorganisaties een integrale, multidisciplinaire, persoonsgerichte aanpak, die zowel gedetineerde burger, slachtoffer, netwerk, vrijwilliger en breder het sociaal domein betrekt in en rondom het moment van wisseling van intra- naar extramuraal, van wisseling van gedwongen naar vrijwillig kader. Het herstelgericht werken naar re-integratie en terugkeer in de wijk of buurt betekent voor de gedetineerde burger het weer oppakken van een volwaardig en actief burgerschap. De gedetineerde burger herstelt of ontwikkelt daarbij zijn vermogen de eigen doelen te realiseren zonder daarbij in conflict met anderen of de samenleving te geraken.
      Het proces van herstellen en stoppen met misdaad heeft betrekking op de dader zelf. Het gaat zowel om het nemen van beslissingen als om het uitvoeren van acties en activiteiten om dit proces tot een goed einde te brengen. Het gaat om een bottom-up-perspectief – dat vanuit de dader vertrekt – en zich vertaalt naar de wijze waarop professionals en vrijwilligers herstelgericht werken. In plaats van te vertrekken vanuit de vraag hoe re-integratie in de buurt of wijk moet werken, of hoe een interventie ten aanzien van gedetineerde burger en netwerk moet worden ingericht (top-down), begint deze benadering met de vraag hoe verandering bij een dader kan plaatsvinden en welke bijdrage het herstelgericht werken hierin kan hebben (bottom-up).
      Binnen het herstelgericht werken benaderen we deviant gedrag en criminaliteit als een sociaal conflict waarbij steeds een verscheidenheid van partijen betrokken zijn. Het gaat hierbij dan om de gedetineerde burger, zijn sociaal netwerk, de lokale samenleving en een mogelijk slachtoffer. Elke interventie, ingrijpen, aanpak, initiatief of werking heeft steeds oog, in meer of mindere mate, voor deze vier verbindingen en stakeholders. We hebben oog voor de aangerichte schade die voortkomt uit het specifieke gedrag van de burger of de gepleegde criminaliteit. Het herstelgericht werken beoogt dit conflict weer terug te geven aan de betrokken partijen: gedetineerde burger, netwerk, slachtoffer en maatschappij.

      Betrokken partijen bij herstelgericht werken
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/TvH/TvH_2019_2

      De gedetineerde burger, het sociaal netwerk, het slachtoffer en breder de maatschappij zijn de noodzakelijke elementen om herstelgericht te kunnen werken. Transmuraal herstelgericht werken richt zich op (1) herstel bij de gedetineerde burger (zelfherstel, geïntroduceerd door Kelk (1992) en Neys (1994)), (2) herstel bij/met het (sociaal) netwerk, (3) herstel bij/met het/de slachtoffer(s)/nabestaanden, (4) herstel bij/met de samenleving/gemeenschap. Herstelgericht werken met de gedetineerde burger naar zelfherstel opent perspectieven voor de eigen toekomst, relationeel herstel naar slachtoffers van delicten, en samenlevingsgerichte activiteiten en is belangrijk voor de voorbereiding van re-integratie via begeleid vertrek, opleiding, werk en nazorg.
      Zelfherstel bij de gedetineerde burger is het unieke proces van verandering van zijn attitudes, waarden, gevoelens, doelen, competenties en rollen. Het gaat om het leiden van een kwaliteitsvol, bevredigend, zinvol leven ondanks de beperkingen waar de gedetineerde burger mee geconfronteerd wordt. Het herstelgericht werken richt zich ook op het proces om stil te staan bij de gevolgen van zijn gedrag zowel ten aanzien van zichzelf en zijn naasten als ten aanzien van de slachtoffers en de bredere samenleving. De gedetineerde burger wordt ondersteund in zijn proces te erkennen dat hij het slachtoffer schade berokkend heeft. Vanuit deze erkenning neemt hij zijn verantwoordelijkheid en zoekt naar uitingsvormen van schulderkenning en van de wil om de verantwoordelijkheid voor zijn daden en de gevolgen van zijn daden te nemen.
      De re-integratie naar de buurt of wijk van de burger is een procesmatig gebeuren waar de gedetineerde burger zich verhoudt tot zichzelf, het slachtoffer en de samenleving en het verleden een plaats geeft. Herstel krijgt een betekenis vanuit een re-integratiegerichte invalshoek gericht op het verwerken van de schuld bij de gedetineerde burger en het komen tot zelfherstel. Door het nemen van de verantwoordelijkheid van de burger ten aanzien van zichzelf en het slachtoffer gaat hij in proces met zichzelf om zo in het reine te komen ten aanzien van zijn misdrijf en de schade die daaruit voortkomt. Het daadwerkelijk stoppen met misdaad vereist bovendien een sterke motivatie om te veranderen, gekoppeld aan een sterk geloof in zichzelf, het beschikken over een breed repertoire aan copingmechanismen en een voldoende mate van zelfredzaamheid. Een combinatie van ‘willen en doorzetten’ is iets dat kan worden bevorderd via het herstelgericht werken.
      Het herstelgericht werken heeft het potentieel om sociaal en menselijk kapitaal bij de burger en zijn sociaal netwerk vrij te maken. Motivatie- en cognitieve elementen gaan steeds gepaard met structurele kenmerken in de huidige samenleving en contextuele veranderingen in het leven van de gedetineerde burger. Structurele en praktische belemmeringen, zoals problemen met het vinden van werk, het hebben van schulden en het ondervinden van moeilijkheden bij het vinden van huisvesting, maken het moeilijker om te stoppen met criminaliteit. Het herstelgericht werken heeft het potentieel in te zetten op structurele elementen noodzakelijk om te re-integreren in de wijk, en omgekeerd vanuit deze inzet aandacht te hebben voor de wederzijdse aanvaarding en herstel tussen burger en maatschappij, buurt of wijk. Steeds staan ook de behoeften, belangen en het herstel van het slachtoffer centraal.
      Transmuraal herstelgericht werken betekent voor professionals en vrijwilligers die op een of andere manier een rol spelen in de ondersteuning van gedetineerde burgers bij hun re-integratie, om steeds oog te hebben voor deze vier verbindingen en stakeholders. Het gaat om een steeds groter wordende groep van professionals en vrijwilligers gezien het maatschappelijk belang van meer samenwerking in de verbinding binnen-buiten, tussen het gedwongen en het vrijwillig kader. Professionals vanuit gemeenten en welzijnsorganisaties zijn ook meer en meer actief op het snijvlak tussen binnen-buiten de penitentiaire inrichting ter voorbereiding van de re-integratie, of ter ondersteuning van vrijwilligers, het netwerk (kind, partner, familie, enzovoort) en de bredere maatschappij.

    • 6 Besluit

      Transmuraal herstelgericht werken naar een succesvolle re-integratie gaat om het weer kunnen oppakken van een volwaardig en actief burgerschap. Herstel heeft niet alleen betrekking op de gedetineerde burger als volwaardig burger, maar betekent ook door de samenleving te worden erkend en betekent een herstel in waardigheid en maatschappelijke positie. Organisaties, netwerken, professionals en vrijwilligers actief in deze vormen van ondersteuning en re-integratie van de burger sluiten aan op dit uniek traject naar herstel en re-integratie. Zowel burger, sociaal netwerk, organisaties in deze kaders, van gedwongen of vrijwillige aard, en breder de maatschappij zijn zo samen de noodzakelijke elementen om herstelgericht te kunnen werken.
      Het herstelgericht werken veronderstelt voor professional en vrijwilliger een specifiek mensbeeld waarbij het gaat om het zien van de mens achter zijn kwetsuren, probleemgebieden, deviant of crimineel gedrag. De ander zien als een volwaardig mens, die vanuit de wederkerigheid een plaats heeft in onze maatschappij, maakt onderdeel uit van het handelingskader van professionals en vrijwilligers. Daarnaast is inzetten op de relatie, het contact, de verbinding met de gedetineerde burger voor elk cruciaal. Het gaat om het zich onbevooroordeeld en met empathie opstellen ten aanzien van de gedetineerde burger, hen in hun mens-zijn te erkennen en aandacht te schenken aan de positie waarin ze zich bevinden. De professional en vrijwilliger zetten de gedetineerde burger in zijn kracht, tonen betrokkenheid, vermijden vragen die als beschuldigend kunnen overkomen en geven erkenning aan zijn positie, gedachten en gevoelens.
      Ook andere doelgroepen zoals dak- en thuislozen, asielzoekers en cliënten in de intramurale geestelijke gezondheidszorg, ervaren vaak een vorm van beslotenheid in de zorg-, hulp- en dienstverlening die ze ontvangen. Dat intramurale karakter vertaalt zich veel minder in de beslotenheid van muren, in de beperking van komen en gaan zoals bij detentie. Het gaat om het intramurale karakter van de zorg of hulp voor deze burgers of de elementen van controle en toezicht in hun zorgpad of behandeltraject. Hierbij kan worden gedacht aan de intramurale zorg voor ouderen, chronisch zieken, mensen met een handicap of mensen met langdurige psychische problemen, of aan een zorghostel en de Skaeve Huse woonprojecten in de maatschappelijke opvang. Werken binnen-buiten, over de muren, transmuraal heeft voor deze doelgroepen op het eerste zicht een andere betekenis, maar er zijn veel gelijkenissen met de vaak grote afstand die ze ervaren om weer opgenomen te worden in de maatschappij. In dat opzicht biedt het transmuraal herstelgericht werken ook voor deze doelgroepen aanknopingspunten voor een conceptuele landkaart om succesvol te re-integreren. Steeds gaat het om een gefaseerd proces en een integrale, multidisciplinaire, persoonsgerichte aanpak, die zowel burger, netwerk, vrijwilliger en breder het sociaal domein op een herstelgerichte wijze betrekt.
      Daarnaast biedt transmuraal herstelgericht werken ook aanknopingspunten voor de hardnekkige, onverbeterlijke, persisterende gedetineerde burgers die herhaaldelijk recidiveren. Stoppen met misdaad is zelden een eenmalige keuze. Vooral bij die onverbeterlijke, persisterende gedetineerden, vaak gerelateerd aan middelenmisbruik, is het maken van deze keuze te stoppen met misdaad een dagelijks gebeuren gezien hun vaak blijvende oude gewoonten en relaties. Nog meer voor deze doelgroep van persisterende gedetineerde burgers hangt het stoppen met misdaad samen met zowel structurele elementen (werk, opleiding, huisvesting, enzovoort) als individuele elementen (agency, hoop, motivatie, identiteit, enzovoort). Beiden, structurele en individuele elementen, gaan samen in het stoppen met misdaad en het herstellen en versterken van de band van de gedetineerde burger met de maatschappij. Bottoms & Shapland (2016) stellen dat de eigen invloed van een individu op zijn leven van groot belang is, maar dat niet moet worden onderschat wat de invloed is van de structurele elementen en maatschappelijke structuren op het proces te stoppen met misdaad. Het werk van Sampson & Laub (1993, 2003) leert ons dat de kans op recidive stijgt naarmate de band tussen gedetineerde burger en samenleving verzwakt. Bovendien is het stoppen met misdaad ‘rommelig, ingewikkeld, met stappen vooruit, en stappen terug (recidive), het draait rond in cirkels, het wint aan kracht in versterkende, iteratieve lussen, het is verstoorbaar, het staat in elk stadium open voor invloeden’ (Farrall et al. 2014: 229).
      Transmuraal herstelgericht werken is het blijvend aanspreken van het veranderingspotentieel, het nemen van verantwoordelijkheid en het inzetten op de krachten van de gedetineerde burger, het sociaal netwerk, (lokale) maatschappij en het mogelijk slachtoffer. Ook in momenten van terugval, wanneer de band tussen samenleving en gedetineerde burger onder druk staat, biedt transmuraal herstelgericht werken als conceptuele landkaart aanknopingspunten om zowel op structureel als individueel niveau hooks of change (Maruna 2016) mogelijk te maken. Samen-leven is een wederkerig proces, en veronderstelt dus dat een herstelgerichte re-integratie, kanteling in de wijk of buurt draait om herstel ten aanzien van het slachtoffer en zichzelf (zelfherstel), maar ook en vooral, om de verbinding met de maatschappij. Die morele en sociale re-integratie in de maatschappij is en blijft een verhaal van wederzijdse verantwoordelijkheid. Re-integratie is een wederkerig proces, net als het nemen van verantwoordelijkheid.

    • Literatuur
    • Artières, P. & P. Lascoumes (2004) Gouverner, enfermer. La prison, modèle indépassable?. Paris: Presse de Sciences Po.

    • Blad, J. (2007) The Seductiveness of Punishment and the Case for Restorative Justice: The Netherlands. In: D.J. Cornwell (ed.), Doing Justice Better. The Politics of Restorative Justice. Hampshire: Waterside Press, p. 135-148.

    • Bottoms, A. & J. Shapland (2016) Learning to desist in early adulthood: the Sheffield Desistance Study. In: J. Shapland, S. Farrall & A. Bottoms (eds.), Global perspectives on desistance: reviewing what we know, looking to the future. London: Routledge, p. 99-125.

    • Brossat, A. (2001) Pour en finir avec la prison. Paris: La Fabrique.

    • Cid, J. & J. Marti (2015) Imprisonment, social support, and desistance: a theoretical approach to pathways of desistance and persistence for imprisoned men. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, 9(2), 1-22.

    • Claes, B. (2012) Herstel en Detentie. Etnografisch onderzoek in de gevangenis Leuven Centraal. Brussel: Vrije Universiteit Brussel, onuitgegeven doctoraal proefschrift.

    • Claes, B. (2019) Transmuraal Herstelgericht Werken. Een verhaal van hoop, kracht en verantwoordelijkheid. ’s-Hertogenbosch: Avans Hogeschool Expertisecentrum Veiligheid.

    • Claes, B. & W. Duerloo (2008) Vertalers en bewakers van herstel in de gevangenis. Fatik, 26(119), 25-30.

    • Claes, B. & J. Shapland (2017) Herstelbemiddeling in twee gevangenissen. Tijdschrift voor Herstelrecht, (17)4, 12-28.

    • Clarke, R. & D. Cornish (1985) Modelling offenders’ decisions. In: M. Tonry & N. Morris (eds.), Crime and Justice: An Annual Review of Research, 6, 147-186.

    • Cornwell, D.J. (2009) The Penal Crisis and the Clapham Omnibus. Questions and Answers in Restorative Justice. Hampshire: Waterside Press.

    • Cornwell, D.J. (2010) Reparatieve en herstelgerichte strafrechtspleging. Een goed argument voor een tweesporigheid in strafrechtelijk beleid?. Tijdschrift voor Herstelrecht, 10(1), 7-12.

    • Crewe, B. (2009) The Prisoner Society. Power, Adaptation, and Social Life in an English Prison. Oxford: University Press.

    • Farrall, S., B. Hunter, G. Sharpe & A. Calverley (2014) Criminal careers in transition. The social context of desistance from crime. Oxford: Oxford University Press.

    • Foucault, M. (1989) Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis. Groningen: Historische Uitgeverij.

    • Garland, D. (2001) The Culture of Control. Crime and Social Order in Contemporary Society. Chicago: The University of Chicago Press.

    • Giordano, P.C., S.A. Cernkovich & J.L. Rudolph (2002) Gender, crime and desistance: toward a theory of cognitive transformation. American Journal of Sociology, 107(4), 990-1064.

    • Hass, A.Y. & C.E. Saxon (2011) From the Inside/Out: Greene County Jail Inmates on restorative ReEntry. International Journal of Offender Therapy and Comparative Criminology, published online 8 August 2011 DOI: 10.1177/0306624X11418914.

    • Kelk, C. (1992) De doorleving van de schuld in de strafrechtspleging. In: J.A. Janse De Jonghe & C. Kelk (red.) Met schuld beladen: de kern en de actuele betekenis van het werk van G. Th. Kempe over straf en reclassering. Arnhem: Gouda Quint, p. 13-48.

    • Kelk, C. (2015) Veranderende mensbeelden van gedetineerden. Justitiële verkenningen, 5, 35-53.

    • Loper, A.B. (2009) Parenting Stress, Alliance, Child Contact, and Adjustment of Imprisoned Mothers and Fathers. Journal of Offender Rehabilitation, 6, 483-503.

    • Maruna, S. (2016) Desistance and restorative justice: it’s now or never. International Journal of Restorative Justice, 4(3), 289-301.

    • Nelissen, P. (2017) Gevangenissen en herstel: reflecties over nut en noodzaak van een herstelgerichte detentiepraktijk. Tijdschrift voor Herstelrecht, 17(3), 11-26.

    • Neys, A. (1994). Schuldverwerking bij levensdelinquenten tijdens de strafuitvoeringsfase. Metanoia 1, 40-54.

    • Novero, C.M., A. Booker & J.I. Warren (2011) Second-generation prisoners: Adjustment patterns for inmates with a history of parental incarceration. Criminal Justice and Behaviour, 38, 761-778.

    • Nurse, A.M. (2002) Fatherhood arrested: parenting from within the Juvenile Justice System. Nashville: Vanderbilt University Press.

    • Pintelon, H. (2017) Herstelgericht werken met gedetineerden en hun naastbestaanden. Tijdschrift voor Herstelrecht, (17)3, 49-53.

    • Pollock, J.M., N.L. Hogan, E.G. Lambert, J.I. Ross & J.L. Sundt (2012) A Utopian Prison: Contradiction in Terms?. Journal of Contemporary Criminal Justice, 28(1), 60-76.

    • Pratt, J. (2007) Penal Populism. London: Routledge.

    • Robert, L. (2004) Herstelgerichte detentie in België: tralies in de weg?. Tijdschrift voor Herstelrecht, 4(2), 24-41.

    • Robert, L. & T. Peters (2002) How restorative justice is able to transcend the prison walls: a discussion of the project ‘restorative detention’. In: E.G.M Weitekamp & H.J. Kerner (eds.) Restorative Justice in Context. International Practice and Directions. Cullompton, Devon: Willan Publishing, p. 95-122.

    • Sampson, R. & J. Laub (1993) Crime in the making. Cambridge: Harvard University Press.

    • Sampson, R. & J. Laub (2003) Shared Beginnings, Divergent Lives. London: Harvard University Press.

    • Slump, G.J. (2017) Herstelgerichte detentie in Nederland 2017. Tijdschrift voor Herstelrecht, (17)3, 54-59.

    • Van Garsse, L. (2001) Modieuze droom of maatschappelijke noodzaak? De gevangenis als herstelgerichte faciliteit. In: J. Vanacker (red.), Herstel en Detentie. Hommage aan Prof. Dr. Tony Peters. Brussel: Politeia, p. 57-75.

    • Van Zyl Smit, D. & S. Snacken (2009) Principles of European Prison Law and Policy. Penology and Human Rights. Oxford: Oxford University Press.

    • Vaughan, B. (2007) The internal narrative of desistance. British Journal of Criminology, 47(3), 390-404.

    • Vogelvang, B. (2010) Een sterk verhaal: Over de invloed van reclasseringswerkers op het stoppen van criminaliteit na detentie. ’s-Hertogenbosch: Avans Hogeschool Expertisecentrum Veiligheid.

    • Ward, T., K.J. Fox & M. Garber (2014) Restorative justice, offender rehabilitation and desistance. International Journal of Restorative Justice, 2(1), 24-42.

    • Zebel, S., M. Vroom & E.G. Ufkes (2016) Herstelgerichte cursussen in detentie. Evaluatie van Puinruimen, SOS en DAPPER. Enschede: Universiteit Twente, Faculty of Behavioural, Management and Social sciences (BMS).


Print dit artikel