DOI: 10.5553/TvC/0165182X2022064001002

Tijdschrift voor CriminologieAccess_open

Artikel

Oude wijn in nieuwe zakken?

Een studie naar de gepercipieerde effectiviteit van buurtinformatienetwerken in een veranderende context

Trefwoorden community safety, crime prevention, neighborhood inhabitants, Neighborhood Watch, police
Auteurs
DOI
Toon PDF Toon volledige grootte
Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Thom Snaphaan, Lieven Pauwels en Wim Hardyns. (2022). Oude wijn in nieuwe zakken?. Tijdschrift voor Criminologie (64) 1, 15-38.

Dit artikel wordt geciteerd in

      De komst en razendsnelle evolutie van het internet en sociale media hebben belangrijke gevolgen voor de manier waarop we met elkaar omgaan, communiceren en informatie tot ons nemen. Deze evoluties hebben repercussies voor het politiewerk en ook voor de ­samenwerking tussen politie en burger. Een van die samenwerkingsvormen tussen politie en burger zijn de buurtinformatienetwerken (beter bekend als BIN’s in België; in Nederland spreekt men van burgerwachten). In deze studie wordt met behulp van semigestructureerde interviews (n=380) in België nagegaan hoe BIN-leden en niet-BIN-leden de ­effectiviteit van zowel BIN’s als informele buurtpreventie-initiatieven percipiëren en evalueren, en welk type van samenwerkingsverband de voorkeur geniet. De gepercipieerde effectiviteit wordt nagegaan aan de hand van diverse criteria, waaronder objectieve en subjectieve veiligheid, kwaliteit van politiewerk en de relatie tussen politie en burger.

    • Inleiding

      De komst en razendsnelle evolutie van het internet en sociale media hebben belangrijke gevolgen voor de manier waarop we met elkaar omgaan, communiceren en informatie tot ons nemen (Musik & Bogner, 2019). Deze evoluties hebben ­repercussies voor het politiewerk en ook voor de samenwerking tussen politie en burger (Kop e.a., 2020). Een van de samenwerkingsinitiatieven tussen politie en burger zijn de buurtinformatienetwerken (verder: BIN’s). Deze preventievorm zet hoofdzakelijk in op de mechanismen van verhoogde lokale waakzaamheid ten aanzien van verdachte gebeurtenissen, een reductie van opportuniteiten voor poten­tiële daders, verhoging van informele sociale controle, en een verhoging van de pakkans en ophelderingsgraad (Bennett e.a., 2008).
      Sinds respectievelijk de jaren zeventig en de jaren tachtig van de vorige eeuw werd deze preventievorm formeel ingebed in het palet van criminaliteitspreventie-initiatieven in de Verenigde Staten (Cirel e.a., 1977) en het Verenigd Koninkrijk (Anderton, 1985). In België en Nederland kwam deze ontwikkeling in de jaren negentig van de vorige eeuw op gang. In België werd het eerste BIN opgericht in 1994. In Nederland, waar men overigens spreekt van ‘burgerwachten’ of ‘buurtwachten’, dateert het eerste initiatief van 1997 (Lub, 2016; Terpstra, 2009). We kunnen deze beschouwen als ‘formele’ samenwerkingsinitiatieven.
      Meer recentelijk worden ook steeds meer (deels) digitale varianten van buurtpreventie-initiatieven opgericht (zie bijv. Akkermans & Vollaard, 2015; Kokkeler e.a., 2018). De oprichting hiervan is te kaderen in een bredere ontwikkeling waarin sociale media als middel fungeren om te communiceren over lokale aangelegenheden. Waar dit in een eerste stadium gebeurde om bestaande lokale netwerken te faciliteren, zien we vandaag ook vaker zelfgeorganiseerde en bottom-up lokale online netwerken opduiken zonder een reeds bestaande ‘fysieke’ equivalent (De Meulenaere, 2020). Deze beschouwen we als ‘informele’ samenwerkingsinitiatieven.
      De doelstelling van deze studie is om inzicht te verwerven in de gepercipieerde ­effectiviteit van enerzijds BIN’s (d.w.z. formele buurtpreventie-initiatieven) en anderzijds digitale buurtnetwerken (d.w.z. informele buurtpreventie-initiatieven). Deze gepercipieerde effectiviteit wordt nagegaan aan de hand van diverse criteria, zoals (objectieve en subjectieve) veiligheid, kwaliteit van politiewerk en de relatie tussen burgers en politie. Door middel van een kwalitatief onderzoeksdesign willen we met deze studie een aanvulling bieden op de meer kwantitatieve studies, waarbij gebruik wordt gemaakt van politiedata en/of surveydata. Het kwalitatief onderzoeksdesign laat toe om meer in de diepte te peilen naar opinies, beweegredenen, motieven en percepties. Preventieprojecten dienen immers op maat van de gebruiker (of doelgroep) gemaakt te worden (zie infra). De meerwaarde van deze studie bestaat erin dat (1) zowel BIN-leden als niet-BIN-leden worden bevraagd, om zo ook de stem te laten horen van buurtbewoners die niet betrokken zijn of geen kennis hebben van (in)formele buurtpreventie-initiatieven, en (2) er bijzondere aandacht is voor de informele (digitale) buurtpreventie-initiatieven die ­gebruikt worden, complementair aan of vervangend voor de (formelere) BIN’s. De vier centrale onderzoeksvragen van deze studie luiden als volgt:

      1. Hoe percipiëren en evalueren BIN-leden en niet-BIN-leden de effectiviteit van een formeel BIN op het vlak van (objectieve en subjectieve) veiligheid, kwaliteit van politiewerk, en de relatie tussen burgers en politie?

      2. Hoe percipiëren en evalueren zij de effectiviteit van informele buurtpreventie-initiatieven op het vlak van (objectieve en subjectieve) veiligheid, kwaliteit van politiewerk, en de relatie tussen burgers en politie?

      3. Hoe verhouden de opvattingen over de effectiviteit van formele BIN’s en informele buurtpreventie-initiatieven zich tot elkaar?

      4. Aan welke van beide vormen van buurtpreventie-initiatieven geven zij de voorkeur?

    • Achtergrond

      Een BIN of neighborhood watch project wordt internationaal beschouwd als dé grootste vrijwillige vorm van criminaliteitspreventie, meestal door burgers geïnitieerd, en door politiediensten en lokale overheden gefaciliteerd in de vorm van een gecoördineerd samenwerkingsverband. Engelstalige synoniemen voor neighborhood watch zijn block watch, community watch of home watch (Yarwood, 2012). In deze achtergrondparagraaf zal allereerst worden stilgestaan bij de mechanismen die verondersteld worden het preventief effect van neighborhood watch projects te bewerkstelligen. Vervolgens wordt de stand van zaken van het evaluatieonderzoek met betrekking tot neighborhood watch projects beschreven. Daarna wordt de Belgische context uiteengezet: hoe ziet het landschap van BIN’s in België eruit en hoe heeft zich dat ontwikkeld? Tot slot zal beknopt worden ingegaan op de ontwikkelingen rond informele buurtpreventie-initiatieven.

      Preventiemechanismen van neighborhood watch projects

      BIN’s kunnen zowel sociale als situationele mechanismen in gang zetten die criminaliteit reduceren. Er zijn twee mechanismen die primair naar voren geschoven worden, omdat zij een directe invloed kunnen hebben op de criminaliteitsniveaus in een buurt: (1) de mogelijke verhoging van de lokale waakzaamheid (guardian­ship) onder buurtbewoners, waarbij verdachte activiteiten worden gemeld aan de politie, en bijgevolg criminaliteit verhinderd kan worden (Bennett e.a., 2008; ­Titus, 1984), en (2) de mogelijke reductie van opportuniteiten die het mogelijk maken regelovertredend gedrag (zoals criminaliteit en overlast) als alternatief te zien, door het delen van preventietips en het organiseren van initiatieven, zoals het voorzien in tekenen van bewoning bij afwezigheid van buurtbewoners (Cirel e.a., 1977; Hollis-Peel e.a., 2011).
      Eerder indirect kunnen BIN’s bijdragen tot een versterking van de lokale sociale cohesie en kunnen deze (onder de juiste omstandigheden ceteris paribus) leiden tot een verhoogde mate van informele sociale controle (Bennett e.a., 2008). Deze sociale processen, die de bouwstenen vormen voor de collectieve weerbaarheid (collective efficacy) van een buurt, zijn in voorgaand onderzoek bevorderlijk gebleken voor de reductie van criminaliteit en de verhoging van veiligheidsgevoelens (Hardyns & Pauwels, 2012; Sampson, 2012). Tot slot is het mogelijk dat door een verhoogde uitwisseling van bruikbare informatie tussen burgers en de politie de slagkracht van de politie wordt vergroot, wat leidt tot een reductie van criminaliteitsniveaus door het ‘afweren’ van lokale daders (Bennett e.a., 2008; Bjørgo, 2016; Lub, 2016).

      Evaluatie van neighborhood watch projects

      In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werden diverse (grootschalige) evaluatiestudies uitgevoerd naar neighborhood watch projects (Husain, 1990; Sherman e.a., 1997; Titus, 1984). De resultaten bleken ambivalent en de meeste studies naar deze projecten bleken methodologisch niet zo rigoureus opgezet, waardoor de betrouwbaarheid en validiteit van de resultaten in vraag konden worden gesteld. Recentere studies geven een systematisch overzicht van evaluatieonderzoek, waarbij gecontroleerd wordt voor de onderzoeksopzet van de individuele studies. In de studies van Bennett en collega’s (2006; 2008) werden respectievelijk een narratieve review met meta-analyse en een Campbell Systematic Review met meta-analyse uitgevoerd. In deze studies werden uitsluitend studies geïncludeerd met een score van 3 of hoger op de Maryland Scientific Methods Scale (Farrington e.a., 2002). Sherman en Eck (2002) stellen immers dat evaluaties ten minste moeten voldoen aan niveau 3 van de Maryland Scientific Methods Scale om, met een redelijke mate van zekerheid, te kunnen concluderen dat het preventieproject heeft gewerkt.
      In de meest omvangrijke studie van Bennett en collega’s (2008) concluderen de onderzoekers op basis van een systematic review (van negentien studies die tezamen 43 evaluaties omvatten) en meta-analyse (van twaalf studies die tezamen achttien evaluaties omvatten) dat neighborhood watch projects globaal gezien ­geassocieerd zijn met een reductie van criminaliteitsniveaus. Op basis van de ­meta-analyse wordt geconcludeerd dat in 83 procent van de evaluaties een criminaliteitsreductie werd vastgesteld, en dat de aanwezigheid van een neighborhood watch project leidt tot een vermindering van 16 tot 26 procent van de geregistreerde criminaliteit. De effectgrootte covarieert met bepaalde projectkenmerken, zoals de gebiedsgrootte.
      Deze manier van evalueren is echter niet zonder kritiek. Naast de kritische kanttekeningen die de auteurs zelf maken (bijv. dat er een mogelijke selectiebias aanwezig is in de studies die opgenomen werden in de meta-analyse), hebben evaluatiestudies in deze vorm – conform de systematiek van Campbell en de kwaliteitscriteria van de Maryland Scientific Methods Scale – uitsluitend oog voor effectmetingen en wordt er geen rekening gehouden met de aan- of afwezigheid van theoretische onderbouwing van de getoetste hypothesen. Dit is problematisch, omdat het daardoor weinig inzicht verschaft in waarom een preventie-initiatief wel of niet werkt. Illustratief hiervoor zijn de woorden van Bennett en collega’s (2006) zelf: ‘It is not immediately clear why neighbourhood watch is associated with a reduction in ­crime’ (p. 454). Kijkend naar (evaluatie)studies van een andere aard, die zich beroepen op een breder palet van onderzoeksmethoden en uitkomstvariabelen, is een genuanceerder beeld vast te stellen (bijv. Blokland, 2008; Eysink Smeets e.a., 2019; Laycock & Tilley, 1995; Lub, 2016). Zo blijkt het succes van een buurtpreventieproject afhankelijk van specifieke omstandigheden (bijv. in sommige buurten werkt het wel, in andere niet) of hebben de projecten soms negatieve (neven)effecten (bijv. de preventieparadox, zie infra).
      Realist evaluations komen tegemoet aan voornoemde uitdagingen door niet louter een antwoord te geven op de vraag ‘wat werkt?’, maar door in te gaan op de vraag ‘wat werkt voor wie in welke omstandigheden, en hoe werkt het?’ (Pawson & Tilley, 1997). Het is evenzeer belangrijk te weten wat de beweegredenen, motieven en percepties ten aanzien van deze buurtpreventie-initiatieven zijn als input voor een procesevaluatie: een goede evaluatie houdt rekening met de werkzame mechanismen (in de praktijk steeds meerdere preventieve mechanismen die samen gebruikt worden) en een context waarbinnen geïmplementeerd wordt.

      BIN’s in België

      Zonder uitgebreid stil te staan bij de totstandkoming van BIN’s in België (zie hiervoor bijv. Hardyns e.a., 2022), kan de opkomst van deze vorm van preventieprojecten gerelateerd worden aan gevallen van eigenrichting die werden vastgesteld ten gevolge van criminaliteit in de Frans-Belgische grensstreek begin jaren negentig. In de vorm van ‘burgerwachten’ namen burgers het heft in eigen hand. Om dit in te perken, mede gelet op het verbod op private milities,1x Wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden, BS 7 augustus 1934. werd gepoogd dergelijke initiatieven een halt toe te roepen. Als antwoord hierop en geïnspireerd door de ­Angelsaksische neighborhood watch projects trachtte de overheid deze buurtpreventie-initiatieven te formaliseren. In 1994 werd als resultaat hiervan in Poperinge, vlak bij Kortrijk in het zuidwesten van België, het eerste BIN opgericht.
      De ministeriële omzendbrief van 9 april 19982x Omz. I/VSPP/8 van 9 april 1998 betreffende de Buurtinformatienetwerken. erkende het BIN officieel als een gestructureerd samenwerkingsverband tussen burgers, politie en bestuurlijke overheden met de bedoeling om informatie uit te wisselen volgens een vooraf uitgewerkt communicatieplan. In België valt de oprichting van BIN’s vandaag de dag onder het beheer van de Federale Overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken. Elk van de betrokken partijen (burger(s), lokale overheid of politie) kan het BIN initiëren, maar de oprichting wordt altijd voorafgegaan door een onderling overleg. Alvorens het BIN van start gaat, dienen de inwoners van het geografisch gebied waar het BIN actief zal zijn, geïnformeerd te worden en dient een communicatieplan opgesteld te worden (Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, z.d.). Het BIN wordt vertegenwoordigd door een BIN-coördinator (burger), de burgemeester (lokale overheid) en de korpschef (lokale politie). Dit alles wordt formeel vastgelegd in een BIN-charter en er wordt een huishoudelijk reglement opgesteld.3x Omz. van 8 april 2019 tot wijziging van de omzendbrief van 28 februari 2019 inzake de Buurtinformatienetwerken, www.besafe.be/sites/default/files/2019-04/aanpassing_-omzendbrief_bin.pdf. In dit BIN-charter wordt onder andere vastgelegd welk geografisch gebied het BIN ­bestrijkt, wie contactpersonen zijn van de diverse betrokken partijen en hoe de communicatie geregeld wordt (zowel van burgers naar politie als terugkoppeling vanuit de politie naar de burgers).
      Anno 2019 telde België meer dan 1.300 BIN’s, verspreid over zowel het Vlaamse, het Waalse als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit aantal erkende BIN’s blijft stijgen door de tijd heen (zie figuur 1).4x Ondanks dat het eerste BIN in België werd opgericht in 1994 (zie supra) gaan de data van de FOD Binnenlandse Zaken slechts terug tot 2008, aangezien het beheer en de coördinatie van buurtinformatienetwerken pas sinds 2009 bij hen liggen. Voordien werd de coördinatie door een vereniging zonder winstoogmerk (‘vzw Buurtinformatienetwerken’) waargenomen (Pouseele, 2002). Vooralsnog blijft het hoofdzakelijk een Vlaams fenomeen, met maar liefst 80 procent van de BIN’s in Vlaanderen gesitueerd (n=1.045). Wallonië telt 256 partenariats locaux de prévention (Franstalige ­benaming voor ‘buurtinformatienetwerk’) (19 procent) en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staan elf BIN’s geregistreerd (1 procent). Naast reguliere BIN’s bestaan er ook BIN’s voor (zelfstandige) ondernemers (zogenaamde BIN-Z’s). Waar het bij reguliere BIN’s veelal gaat om de veiligheid en leefbaarheid in de woonomgeving, ligt de focus van een BIN-Z eerder op de winkelomgeving en gerelateerde veiligheidsvraagstukken. Ongeveer een op acht BIN’s is een BIN-Z (n=162).

      BIN’s in België conform de telling van de FOD Binnenlandse Zaken in september 2019 – indeling per gewest en per jaar (Hardyns e.a., 2022)
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/TvC/TvC_2022_1

      Ontwikkelingen rond informele buurtpreventie-initiatieven

      Onder invloed van de toenemende digitalisering worden ook lokale buurtprocessen gedigitaliseerd. De Meulenaere (2020) onderscheidt verschillende golven in de ontwikkeling van deze lokale netwerken. In de eerste twee golven (de eerste ­gestuwd door het internet en de tweede door ontwikkelingen zoals Web 2.0 en de introductie van sociaalnetwerksites) werden digitale platforms hoofdzakelijk ­gebruikt om bestaande lokale netwerken te faciliteren. In de derde, hedendaagse golf wordt gebruikgemaakt van specifieke digitale faciliteiten die bottom-up worden opgericht en zelfgeorganiseerd zijn, zonder reeds bestaande ‘fysieke’ en lokale equivalente netwerken. Belangrijk om hierbij in acht te nemen is dat deze informele netwerken doorgaans zonder betrokkenheid van politie of bestuurlijke over­heden tot stand komen.
      In België en Nederland ontstaan eveneens dergelijke lokale buurtnetwerken die bottom-up worden opgericht en zelfgeorganiseerd zijn en die gebruikt worden met het oog op buurtpreventie. Hierbij wordt gebruikgemaakt van bestaande socialemediaplatforms, zoals Facebook of WhatsApp,5x Zowel in België als in Nederland is een organisatie opgericht die deze initiatieven bundelt, onder de naam WhatsApp BuurtPreventie (WABP), zie https://wabp.be/ voor België en https://wabp.nl/ voor Nederland. algemene buurtnetwerkapplicaties, zoals Hoplr6x Zie www.hoplr.com/. en Nextdoor,7x Zie https://nextdoor.nl/. maar ook gespecialiseerde (web)applicaties, zoals Veiligebuurt.8x Zie https://veiligebuurt.nl/. Dit wordt doorgaans beschouwd als een vorm van laagdrempelige preventie (Van Stokkom & Bervoets, 2017), waarbij buurtbewoners informatie kunnen delen en elkaar op de hoogte kunnen brengen van verdachte personen ­en/of situaties (Kadar e.a., 2016).
      Studies met betrekking tot informele buurtinitiatieven en criminaliteitspreventie zijn met name in Nederlandse context uitgevoerd. Hierbij werd onderzoek gedaan naar het gebruik van WhatsApp (Akkermans & Vollaard, 2015; Mols & Pridmore, 2019; Van Steden & Mehlbaum, 2021), de gespecialiseerde (web)applicatie Veiligebuurt (Kokkeler e.a., 2018), of werden meerdere platforms in ogenschouw genomen (Eysink Smeets e.a., 2019). Hoewel deze (web)applicaties het uitoefenen van guardianship op een aantal manieren kunnen bevorderen en uitbreiden (Reynald, 2019), zijn empirische resultaten voor wat betreft de effecten op criminaliteit allerminst eenduidig (Akkermans & Vollaard, 2015; Eysink Smeets e.a., 2019; Van Steden & Mehlbaum, 2021).

    • Methodologie

      In het kader van dit onderzoek werden kwalitatieve interviews afgenomen bij BIN-leden en niet-BIN-leden in BIN-gebieden in Vlaanderen. De interviews werden afgenomen door studenten.9x De auteurs bedanken alle studenten Criminologische Wetenschappen (Universiteit Gent), die zorgvuldig hebben bijgedragen aan deze dataverzameling. In het bijzonder willen zij student-­onderzoekers Laura Willems en Lotte De Cock bedanken voor hun inspanningen gedurende hun stageperiode bij de onderzoeksgroep ten aanzien van de integrale codering en verkennende analyse van de rijke kwalitatieve dataset. Na een uitgebreide interviewertraining werden de interviewers ingedeeld in groepen van vier personen. Elke groep was verantwoordelijk voor de bevraging van (doorgaans acht) respondenten binnen het geografisch gebied waar een BIN actief is. Er waren 49 groepen en er zijn bijgevolg 49 Vlaamse BIN-gebieden onderzocht. In totaal werden er 380 kwalitatieve interviews afgenomen.10x Omwille van didactische en methodologische redenen werd ervoor gekozen om iedere interviewer twee interviews te laten afnemen. Niet alle groepen bestonden echter uit vier interviewers. Er namen 190 interviewers deel aan deze dataverzameling, wat resulteerde in 380 kwalitatieve interviews.

      Semigestructureerde interviews

      Er werd gebruikgemaakt van semigestructureerde face-to-face-interviews. Deze interviews werden afgenomen in de periode oktober-december 2019. Hiervoor werd gebruikgemaakt van een uitgebreide instructie voor de interviewers en een gestandaardiseerd vragenprotocol (op aanvraag beschikbaar). Alle interviews werden opgenomen met opnameapparatuur en vervolgens verbatim (d.w.z. woord voor woord) getranscribeerd. In het kader van dit onderzoek was er geen interesse in dialect; alle interviews werden bijgevolg in Standaardnederlands getranscribeerd.
      Alle respondenten ontvingen een informatiebrief, waarin uitleg werd verschaft over de doelstelling, het interviewverloop, de manier waarop met de onderzoeksdata wordt omgegaan, en de rechten die zij hebben ten aanzien van de data. Alle respondenten hebben voorafgaand aan het onderzoek geïnformeerde toestemming verleend voor hun vrijwillige deelname aan het onderzoek en om de resultaten op vertrouwelijke wijze te bewaren, te verwerken en anoniem te rapporteren.

      Selectie van BIN-gebieden

      Op basis van een door de Algemene Directie Veiligheid en Preventie (FOD Binnenlandse Zaken) aangeleverd databestand werden de bestaande BIN’s in Vlaanderen in kaart gebracht.11x Aangezien de dataverzameling werd uitgevoerd door studenten Criminologische Wetenschappen van de Universiteit Gent, werd geopteerd om de studenten enkel BIN’s te laten selecteren uit Vlaanderen. Op 17 september 2019 bestonden er 899 BIN’s12x BIN-Z’s (d.w.z. BIN’s voor (zelfstandige) ondernemers) zijn hiervan uitgesloten en werden buiten beschouwing gelaten, omdat de centrale focus ligt op de invloed van individuele processen tussen burgers onderling en tussen burgers en politie. Er bestonden 146 BIN-Z’s in 2019 in Vlaanderen, wat het totaal aantal BIN’s in Vlaanderen op 1.045 bracht (Hardyns e.a., 2022). in Vlaanderen. Het was echter noodzakelijk om te beschikken over directe contactgegevens (d.w.z. een telefoonnummer) van de BIN-coördinator. Deze gegevens waren niet voor ieder BIN voorhanden en bijgevolg werd een deel van de BIN’s uitgesloten (n=153). De respondenten zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de provincie Oost-Vlaanderen (zie tabel 5 in de appendix).
      De interviewers kozen een BIN en contacteerden de BIN-coördinator met de vraag of hij/zij bereid was tot medewerking. Indien hij/zij niet bereid was, kozen de interviewers een ander BIN. Indien hij/zij bereid was om mee te werken, werd een eerste interview met de BIN-coördinator vastgelegd. De selectie van de respondenten wordt nader toegelicht in de volgende paragraaf.

      Selectie van respondenten

      Om een realistisch beeld te krijgen van de gepercipieerde effectiviteit van het BIN én het gebruik van informele buurtpreventie-initiatieven werden zowel BIN-leden als niet-BIN-leden bevraagd. Als richtlijn werd meegegeven dat idealiter naast de BIN-coördinator één BIN-lid werd geïnterviewd en zes niet-BIN-leden. We hebben gekozen voor een relatieve oververtegenwoordiging van niet-BIN-leden, omdat we ervan uit zijn gegaan dat we met twee BIN-leden, onder wie de coördinator, reeds een goed beeld kunnen verkrijgen van die groep respondenten. We veronderstelden dat de variatie onder de groep van niet-BIN-leden een stuk groter zou zijn, vandaar wilden we meer respondenten uit die groep betrekken in het onderzoek.
      Het eerste interview werd steeds afgenomen met de BIN-coördinator. Dit was noodzakelijk, omdat in dit interview het geografisch gebied van het BIN uitgetekend moest worden, teneinde de volgende respondenten correct te kunnen rekruteren. Via de sneeuwbalmethode werd aan de BIN-coördinator gevraagd of hij/zij een bijkomend BIN-lid kon aanduiden om deel te nemen aan het onderzoek.
      De niet-BIN-leden konden zowel buurtbewoners als zogenaamde sleutelfiguren13x Sleutelfiguur of key informant: iemand die, door de specifieke rol die hij/zij vervult in een wijk, een uniek inzicht heeft in het reilen en zeilen van die wijk (‘bevoorrechte getuige’) (Pauwels & Hardyns, 2009). zijn, die respectievelijk woonachtig of werkzaam waren binnen het geografisch gebied waar het BIN actief is (zie tabel 6 in de appendix). Door ook sleutelfiguren te betrekken die werkzaam zijn in de buurt, wilden we vermijden alleen maar buurtbewoners te betrekken die door de dag heen niet aanwezig zijn in de buurt, bijvoorbeeld omdat ze gaan werken of naar school gaan. Sleutelfiguren die (professioneel) werkzaam zijn in de buurt worden doorgaans veel meer geconfronteerd met het sociale leven in de desbetreffende buurt. Er werd geen richtlijn vooropgesteld ten aanzien van de verhouding tussen het aantal buurtbewoners en het aantal sleutelfiguren.
      De inclusiecriteria waren:

      1. ouder zijn dan 18 jaar;

      2. woonachtig of werkzaam (in geval van sleutelfiguren) zijn in het geografisch gebied waar het BIN actief is.14x Dit tweede inclusiecriterium werd in uitzonderingsgevallen lichtelijk verruimd, omdat bleek dat in sommige gevallen alle buurtbewoners binnen het geografisch gebied waar een BIN actief is lid waren van het BIN en er geen sleutelfiguren (bijv. lokale ondernemers) actief waren. In deze gevallen werden buurtbewoners en/of sleutelfiguren net buiten het geografisch gebied waar het BIN actief is bevraagd, met vermelding van het feit dat de vragen betrekking hebben op het geografisch gebied waar het BIN actief is.

      Dataverwerking en -analyse

      De interviewtranscripten werden geïmporteerd in NVivo 12 (QSR International, 2018) om ze te coderen. Voor aanvang van de codering werden alle individuele transcripten gekoppeld aan individuele cases (d.w.z. de respondenten). Deze cases werden voorzien van de nodige metadata.15x Kenmerken zoals geslacht, leeftijdscategorie, opleidingsniveau, werkzaam in de buurt en rol (d.w.z. BIN-coördinator, BIN-lid, niet-BIN-lid, zijnde buurtbewoner of key informant). Voor de codering werd in eerste instantie (deductief) vertrokken vanuit het gehanteerde vragenprotocol. Vervolgens werden de codes inductief aangevuld. De codes werden daarna individueel geanalyseerd en indien nodig werden fijnmaziger classificaties aangemaakt. Op deze manier werd getracht om de grote hoeveelheid tekst te reduceren naar bruikbare codes. De analyse werd voornamelijk uitgevoerd met behulp van kruistabellen en gerelateerde visualisaties. De codering werd hoofdzakelijk uitgevoerd door één onderzoeker. Om de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid na te gaan werden twintig interviews bijkomend door een andere onderzoeker gecodeerd (uitsluitend deductieve codes). Cohens kappa, een maat voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid, bedroeg 0.80, wat overeenkomt met een zeer hoge betrouwbaarheid.

    • Resultaten

      Gezien het grote aantal kwalitatieve interviews dat werd afgenomen en geanalyseerd, laat dit niet alleen toe een aantal kwalitatieve inzichten te accentueren, maar geeft dit het bijkomend voordeel om inzichten in de breedte, en dus op een meer kwantitatieve wijze, te genereren. Hierbij dient opgemerkt te worden dat statistische inferentie geen doelstelling is van dit onderzoek en dit bovendien niet mogelijk is omwille van de niet-representativiteit van de steekproef. Zo komt bijvoorbeeld het merendeel van de respondenten uit Oost-Vlaanderen, waardoor deze provincie relatief oververtegenwoordigd is. De resultaten worden daarom louter beschrijvend weergegeven. Aangezien het niet om een gesloten vragenlijst ging met forced choice en de interviews werden afgenomen door 190 verschillende interviewers, werd niet iedere vraag door alle respondenten (volledig en/of even consistent) beantwoord. Waar mogelijk wordt het aantal ontbrekende data steeds expliciet weergegeven. In tabel 7 in de appendix worden de beschrijvende kenmerken van de respondenten weergegeven.

      Het formele buurtpreventie-initiatief: BIN’s

      Ten aanzien van de invloed die het BIN heeft, werden diverse vragen voorgelegd aan de respondenten. Allereerst werd gevraagd of het BIN volgens hen invloed uitoefent op de objectieve veiligheid (m.a.w. de gepleegde criminaliteit). Hier werd als het ware gepeild naar een mening over een objectief gegeven, namelijk criminaliteit. We hebben dit expliciet aan het vragenprotocol toegevoegd omdat we de verschillende dimensies van veiligheid in kaart wilden brengen, en bovendien is de geregistreerde criminaliteit niet noodzakelijk (sterker nog: in de meeste gevallen niet – zeker in absolute zin) gelijk aan de gepleegde of gepercipieerde criminaliteit (zie bijv. Eysink Smeets & Vollaard, 2015). De overgrote meerderheid (71,64 procent) geeft aan van mening te zijn dat het BIN een positieve invloed heeft op de objectieve veiligheid, en dus de criminaliteit in de buurt laat dalen. Geen van de respondenten geeft aan dat het BIN een negatieve invloed heeft op de objectieve veiligheid. Ruim een kwart van de respondenten (28,46 procent) geeft aan van mening te zijn dat het BIN geen invloed uitoefent op de objectieve veiligheid, zoals blijkt uit dit typerende antwoord:

      ‘Werkt dat preventief, dat weet ik niet. Ik denk dat iemand die echt wil inbreken, die breekt gewoon in en trekt zich dat niet aan.’ (G36R4, vrouw, 39 jaar, BIN-lid)

      Ten aanzien van de subjectieve veiligheid (m.a.w. de veiligheidsgevoelens) wordt vastgesteld dat eveneens de meerderheid (60,90 procent) van de respondenten van mening is dat het BIN in dit verband een positieve bijdrage levert.16x Merk op dat hier sprake is van enkele dubbeltellingen, omdat de antwoorden van negentien respondenten dubbel gecodeerd werden. Zij gaven namelijk aan dat de invloed van het BIN op de subjectieve veiligheid deels positief en deels negatief is. Zij gaven bijvoorbeeld aan dat de communicatie positief is, omdat men beter op de hoogte is, maar als mensen te veel gaan melden, dat wellicht een negatief effect kan hebben. Een aanzienlijk deel van de respondenten geeft echter aan van mening te zijn dat er geen invloed is (22,06 procent) of zelfs een negatieve invloed (17,04 procent). Die negatieve invloed komt voornamelijk voort uit het feit dat respondenten op de hoogte worden gebracht van criminaliteit in hun nabije omgeving. Een aantal respondenten geeft aan het beangstigend te vinden om ’s nachts wakker gebeld te worden door een ­telefonische BIN-melding.
      Het merendeel van de respondenten geeft aan te verwachten of te ervaren dat het BIN een positieve invloed heeft op de sociale cohesie tussen buurtbewoners.

      ‘Ja, het meest merkbare, maar dat is misschien ook wel het belangrijkste, is dat mensen met elkaar beginnen te spreken. Een buurt is gevoelig, mensen komen bij, mensen vertrekken, overlijden of ja wat gebeurt er allemaal. Het is een versnelde opstap in het sociaal gebeuren van de wijk. En net daardoor creëer je een soort van cohesie tussen inwoners.’ (G34R1, man, 46 jaar, BIN-coördinator)

      Toch ziet ruim een derde van de respondenten hierin niet direct een toegevoegde waarde van het BIN. Het volgende citaat beschrijft een tekenend voorbeeld:

      ‘Ik denk persoonlijk van niet. Als je geen goeie band hebt, ga je niet opeens beginnen babbelen met elkaar. Maar ik merk wel dat onze buurvrouw, of hoe zeg je dat, dat zij er wel veel over babbelt met ons. Maar daar hebben we sowieso contact mee, dus ik denk niet dat het BIN het contact gaat versterken.’ (G19R3, vrouw, 23 jaar, BIN-lid)

      Enkele vragen gingen specifiek over de invloed van het BIN op aspecten van het politiewerk. De eerste vraag heeft betrekking op de invloed van het BIN op de formele sociale controle door de politie. Het is belangrijk te vermelden dat een groot deel van de respondenten geen (duidelijk) antwoord heeft gegeven op deze vraag (n=286), omdat zij geen ervaring hadden met digitale platforms en/of geen ervaring met interactie met de politie via dergelijke platforms, waardoor zij zichzelf onvoldoende geïnformeerd bevonden om de vragen te beantwoorden. Een kleine meerderheid (59,40 procent) van de respondenten geeft aan te ervaren of te verwachten dat het BIN een positieve invloed heeft op de formele sociale controle in de buurt. Hierbij wordt gerefereerd aan het feit dat de politie beter op de hoogte is van problemen in de buurt en omwille daarvan dus vaker zal patrouilleren. Als concreet voorbeeld wordt de mogelijkheid tot het aanvragen van politietoezicht tijdens vakanties aangehaald:

      ‘Als je op reis bent, kan je vragen aan de wijkagent om te komen patrouilleren.’ (G2R2, vrouw, 57 jaar, BIN-lid)

      Toch is een belangrijk deel van de respondenten van mening dat dit geen invloed heeft op de formele sociale controle. Zo werd aangegeven dat de aanwezigheid van een BIN de illusie zou wekken dat men toch wel zou bellen op het moment dat er iets aan de hand is, wat impliceert dat de buurtbewoners de toezichtfunctie van de politie zouden overnemen.

      ‘Als ik de politie was, zou ik juist minder komen omdat ik zou denken: als er iets is, zal het netwerk wel bellen.’ (G32R7, vrouw, 53 jaar, BIN-lid)

      Ten aanzien van het politiewerk werd eveneens gepeild naar de verwachte invloed van het BIN op de interventiesnelheid van de politie. 69,14 procent van de respondenten antwoordt dat zij een positieve invloed verwachten ten aanzien van de interventiesnelheid. Zij geven hierbij aan dat de politie de melding vermoedelijk met meer urgentie zal behandelen, vanwege de gemaakte afspraken of vanwege meerdere meldingen die voortkomen uit een door het BIN geconcerteerde actie. Ongeveer een derde van de respondenten geeft aan (te hopen) dat het BIN geen invloed heeft op de interventiesnelheid.

      ‘Bij mijn weten wordt er gewoon een melding gedaan naar de politie en ik zou denken dat het toch geen verschil mag maken of het iemand van het BIN is of een gewone burger die een melding doet.’ (G12R2, vrouw, 42 jaar, buurtbewoner)

      Driekwart van de respondenten geeft aan te verwachten of te ervaren dat het BIN een positieve invloed heeft op de relatie tussen burgers en de politie. Dit doordat het BIN met de politie samenwerkt en zij ook (in)formeel contact onderhouden met elkaar, bijvoorbeeld op een BIN-vergadering.

      ‘Het feit dat er een netwerk is en BIN-leden weten dat ze naar de politie kunnen bellen, dat neemt die drempel weg. Dus op dat vlak zou ik zeker zeggen: die relatie met de BIN-leden is verbeterd, allé het is wel een drempel die verlaagd is.’ (G38R8, vrouw, 42 jaar, BIN-lid)

      Niet alle respondenten zijn echter van mening dat het BIN een positieve invloed heeft op de relatie tussen burgers en de politie. Er wordt verwacht dat men als BIN-lid vooreerst nog contact heeft met de BIN-coördinator en dat dit de relatie met de politie niet noodzakelijk positief beïnvloedt. Het is daarom interessant om na te gaan of er verschillen bestaan ten aanzien van deze perceptie tussen BIN-leden en niet-BIN-leden. Hierbij valt op dat niet-BIN-leden (78,80 procent) gemiddeld positiever gezind zijn over de invloed van BIN’s op deze relatie (zonder ervaring hieromtrent) dan BIN-leden (69,60 procent). BIN-leden, met dus ervaring hieromtrent, lijken iets sceptischer. Er blijkt in sommige gevallen zelfs sprake van een ontgoochelend effect:

      ‘Wanneer dat BIN hier gestart is, zijn we allemaal uitgenodigd, alle personen die binnen die BIN-organisatie van deze zone zitten, hier op het schooltje. En ook de wijkagent was er. En dan is men tot de bevinding gekomen dat dat niet verbeterd is… dat niemand die wijkagent kent.’ (G30R2, man, 65 jaar, BIN-lid)

      Het informele buurtpreventie-initiatief: digitale netwerken

      Vooraleer overgegaan wordt naar de beschrijving van de invloed van de informele (digitale) buurtpreventie-initiatieven zal beknopt uiteengezet worden in welke mate deze initiatieven gebruikt worden en hoe hier concreet invulling aan wordt gegeven. Zoals te zien in tabel 1 is het gebruik van de informele buurtpreventie-initiatieven gelijk verdeeld onder BIN-leden en niet-BIN-leden: circa 41,5 procent is actief op dergelijke platforms.

      Tabel 1 Actief op informele buurtpreventie-initiatieven naargelang BIN-lidmaatschap
      BIN-lidNiet-BIN-lid
      Actief 41,53% (49) 41,52% (93)
      Niet actief 58,47% (69) 58,48% (131)
      Totaal (missing) 100,00% (118 (31)) 100,00% (224 (7))

      In figuur 2 wordt het wel of niet actief zijn op informele buurtpreventie-initiatieven weergegeven per leeftijdscategorie. Hieruit valt op te maken dat er duidelijke verschillen zijn naargelang de leeftijd van de respondent. Bij de jongste twee leeftijdscategorieën is ongeveer de helft van de respondenten actief op deze platforms. In de leeftijdscategorie tussen 35 en 44 jaar is men het meest actief op deze platforms. Vanaf deze leeftijdscategorie neemt de activiteit op deze platforms stelselmatig af. De leeftijdscategorie 75+ is met 13,33 procent het minst actief op de informele buurtpreventie-initiatieven. Het niet gebruiken van de platforms lijkt vooral een kwestie van niet willen, niet op de hoogte zijn, of zorgen over de waarborging van privacy:

      ‘Nee, nu op mijn leeftijd zou ik dat allemaal niet meer doen.’ (G22R7, vrouw, 79 jaar, buurtbewoner)

      ‘Ik wist dat eigenlijk niet dat dat bestond, maar nu dat ik dit weet, zal ik dat misschien wel gebruiken.’ (G23R4, man, 22 jaar, key informant)

      Actief op informele buurtpreventie-initiatieven naargelang leeftijd
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/TvC/TvC_2022_1

      Van de respondenten die aangeven gebruik te maken van een informeel buurtpreventieplatform (n=142), geven 122 personen aan (d.w.z. 85,92 procent) dat zij hiervoor gebruikmaken van Facebook. Daarnaast worden Hoplr (n=14), WhatsApp (n=14), een eigen app (n=3), Instagram, Telegram en een website (alle n=1) ­genoemd. Merk op dat respondenten meerdere antwoorden konden geven; het aantal personen dat aangeeft gebruik te maken van bepaalde platforms overschrijdt daarom het aantal respondenten.
      Net zoals voorgaand beschreven ten aanzien van het (formele) BIN, is nagegaan in welke mate de respondenten denken dat informele buurtpreventie-initiatieven een invloed hebben op verschillende aspecten van veiligheid. Ten eerste werd nagegaan in welke mate respondenten van mening zijn dat dergelijke informele initiatieven invloed hebben op de objectieve veiligheid. De meerderheid van de respondenten (61,60 procent) geeft aan dat dergelijke initiatieven een positief effect hebben op de objectieve veiligheid en dus de criminaliteit (zouden kunnen) verminderen. Sommige respondenten zijn sceptischer en vrezen bijvoorbeeld voor contraobservatie, oftewel het raadplegen van of inbreken op dergelijke platforms door criminelen om zich te informeren met het oog op het plegen van criminele feiten:

      ‘De dieven kunnen ook via bepaalde sociale media meeluisteren en meekijken dus ik denk dat dat wel een gesloten groep moet zijn. Maar ik denk dat dat ook moeilijk is om bij te houden, ik denk dat de telefoon eigenlijk gemakkelijker is.’ (G17R2, vrouw, 22 jaar, BIN-lid)

      Ook hierbij werd nagegaan wat de gepercipieerde invloed is van deze informele initiatieven ten aanzien van de subjectieve veiligheid. Een kleine meerderheid van de respondenten stelt dat deze een positieve invloed (kunnen) hebben op de veiligheidsgevoelens. Meer dan een kwart van de respondenten geeft expliciet aan dat dergelijke informele initiatieven een negatieve invloed (kunnen) hebben op de veiligheidsgevoelens. Er blijkt een contradictoir verband te bestaan tussen de subjectieve veiligheid en de informele buurtpreventie-initiatieven. Enerzijds wordt men hierdoor sneller op de hoogte gebracht van bepaalde problemen in de buurt, maar anderzijds geeft men aan dat dit ook voor een overvloed aan informatie kan zorgen en daardoor onveiligheidsgevoelens kan aanwakkeren.

      ‘Ik denk ook wel dat het zo is als je zo een groepje hebt en de mensen daar dan eigenlijk echt alles wat ze zien of verdacht vinden plaatsen dat je een beetje onrust gaat wekken daarmee.’ (G23R2, vrouw, 34 jaar, BIN-lid)

      Meer dan 60 procent van de respondenten geeft aan (te verwachten) dat informele buurtpreventie-initiatieven zorgen voor een versterking van de sociale relaties tussen buurtbewoners. De respondenten die aangeven dat het niet leidt tot een versterking, geven in sommige gevallen aan dat het zelfs kan leiden tot een verslechtering van de sociale relaties als gevolg van veel negatieve berichten of cyberpesten. De respondenten die aangeven dat het een positief effect heeft op de relaties, ­wijten dit vooral aan de laagdrempelige, hedendaagse vorm van communicatie via ­sociale media:

      ‘Dat wel, ik denk dat het daar iets meer cohesie kan creëren dan een BIN bijvoorbeeld, maar dat is meer gelinkt aan het fenomeen van sociale media, denk ik.’ (G25R7, man, 54 jaar, BIN-lid)

      Vervolgens werden enkele vragen gesteld in verband met de invloed van de informele buurtpreventie-initiatieven op het politiewerk. Allereerst werd gepeild of de interactie met politie, en bij uitbreiding ook andere veiligheidsactoren, via dergelijke informele netwerken überhaupt wenselijk is. 68,59 procent van de respondenten (n=190) geeft aan dat interactie met veiligheidsactoren (bijv. politie) via informele netwerken wenselijk is, terwijl 31,41 procent van de respondenten (n=87) aangeeft dat dat niet wenselijk is.
      De vragen gerelateerd aan de politie maakten een significant kleiner deel uit van de vragenlijst in vergelijking met deze vragen in de context van het formele BIN. Een groot aantal respondenten liet deze vragen ook onbeantwoord. Deze resultaten dienen dus met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd. De resultaten worden in vergelijking met de resultaten ten aanzien van het BIN besproken in de comparatieve analyse in de volgende paragraaf.

      Een vergelijking tussen formele en informele buurtpreventie-initiatieven

      Om te vergelijken hoe de opvattingen over de effectiviteit van BIN’s en informele buurtpreventie-initiatieven zich tot elkaar verhouden, is een comparatieve analyse uitgevoerd. Hierbij werden de verschillende aspecten van veiligheid vergeleken voor deze twee soorten buurtpreventie-initiatieven.
      In tabel 2 worden de resultaten weergegeven ten aanzien van de objectieve veiligheid, subjectieve veiligheid en de sociale relaties tussen buurtbewoners. Hierbij wordt vastgesteld dat respondenten voor deze drie aspecten positiever staan ­tegenover het BIN dan tegenover de informele buurtpreventie-initiatieven.

      Tabel 2 Comparatieve analyse BIN en informele buurtpreventie-initiatieven ten aanzien van invloed op objectieve veiligheid, subjectieve veiligheid en sociale relaties tussen buurtbewoners (pp. staat voor procentpunt)
      Formele BIN’sInformele buurt­preventie-initiatievenVerschil
      % n % n %-punt
      Objectieve veiligheid
      Positieve invloed 71,64% 269 61,60% 154 +10,04 pp.
      Geen invloed 28,46% 107 30,80% 77 -2,34 pp.
      Negatieve invloed 0% 0 7,60% 19 -7,60 pp.
      Subjectieve veiligheid
      Positieve invloed 60,90% 243 56,59% 176 +4,31 pp.
      Geen invloed 22,06% 88 14,79% 46 -7,27 pp.
      Negatieve invloed 17,04% 68 28,62% 89 -11,58 pp.
      Sociale relaties
      Versterking 65,97% 221 61,85% 167 +4,12 pp.
      Geen versterking 34,03% 114 38,15% 103 -4,12 pp.

      In tabel 3 wordt de vergelijking weergegeven van de resultaten ten aanzien van het politiewerk, meer bepaald de formele sociale controle, interventiesnelheid en de relatie tussen de burgers en de politie. Voor wat betreft de gepercipieerde invloed op de formele sociale controle door de politie bestaat er een minimaal verschil (ten nadele van het BIN) tussen de formele en informele initiatieven. Voor de andere twee aspecten – interventiesnelheid en relatie burger-politie – blijken relatief meer respondenten van mening te zijn dat het BIN een positieve invloed heeft dan in geval van de informele initiatieven. Hierbij dient nogmaals opgemerkt te worden dat een groot deel van de respondenten de vragen in dit verband ten aanzien van de informele buurtpreventie-initiatieven onbeantwoord liet en de resultaten dus met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd dienen te worden.

      Tabel 3 Comparatieve analyse BIN en informele buurtpreventie-initiatieven ten aanzien van invloed op politiewerk (pp. staat voor procentpunt)
      Formele BIN’sInformele buurt­preventie-initiatievenVerschil
      % n % n %-punt
      Invloed formele controle
      Positieve invloed 59,40% 158 60,64% 57 -1,24 pp.
      Geen invloed 37,22% 99 32,98% 31 +4,24 pp.
      Negatieve invloed 3,38% 9 6,38% 6 -3,00 pp.
      Invloed interventiesnelheid
      Positieve invloed 69,14% 233 59,84% 76 +9,30 pp.
      Geen invloed 29,38% 99 32,29% 41 -2,91 pp.
      Negatieve invloed 1,48% 5 7,87% 10 -6,39 pp.
      Invloed op relatie burger-politie
      Versterking 75,08% 250 66,67% 82 +8,41 pp.
      Geen versterking 24,92% 83 33,33% 41 -8,41 pp.

      Voorkeuren omtrent de vorm van het buurtpreventie-initiatief

      Vervolgens werd de respondenten gevraagd naar welke modus hun voorkeur uitgaat voor wat betreft een buurtpreventie-initiatief. Hierbij werd gevraagd of zij een face-to-faceplatform, een digitaal platform of beide modi prefereren. Respondenten (n=340) antwoordden hier respectievelijk als volgt op: 35,88 procent, 42,94 procent en 21,18 procent. Het grootste deel van de respondenten blijkt een voorkeur te geven aan een digitaal platform, maar in het algemeen is er sprake van grote variatie.
      Deze voorkeuren blijken te verschillen naargelang de leeftijdscategorie van respondenten (zie figuur 3). Hierbij dient opgemerkt te worden dat toevalsfluctuaties niet uit te sluiten zijn. Hieruit is op te maken dat de voorkeur voor een digitaal platform het grootst is binnen de leeftijdscategorie tussen 25 en 34 jaar. Vervolgens neemt deze voorkeur af met de leeftijd. De voorkeur voor een platform dat gebruikmaakt van beide modi schommelt in beperkte mate, maar blijft relatief stabiel rond de 20 à 25 procent voor de meeste leeftijdscategorieën. De voorkeur voor een ­face-to-faceplatform is het kleinst binnen de leeftijdscategorie tussen 34 en 44 jaar, maar neemt vervolgens toe met de leeftijd.

      Voorkeuren ten aanzien van type platform per leeftijdscategorie
      /xml/public/xml/alfresco/Periodieken/TvC/TvC_2022_1

      Tot slot wordt nagegaan in welke mate er een verschil bestaat in deze voorkeur tussen BIN-leden en niet-BIN-leden. Uit tabel 4 kan worden afgeleid dat niet-BIN-leden relatief vaker (met 46,01 procent) dan BIN-leden (met 37,80 procent) de voorkeur geven aan een digitaal platform. BIN-leden geven dan weer relatief even vaak aan dat de voorkeur uitgaat naar een digitaal of face-to-faceplatform. Ook geven BIN-leden relatief vaker dan niet-BIN-leden aan dat de voorkeur uitgaat naar een platform dat gebruikmaakt van beide modi.

      Tabel 4 Voorkeuren ten aanzien van type platform naargelang BIN-lidmaatschap
      ModusBIN-lidNiet-BIN-lid
      Digitaal 37,80% (48) 46,01% (98)
      Face-to-face 37,80% (48) 34,74% (74)
      Beide 24,41% (31) 19,25% (41)
      Totaal (missing) 100,01% (127 (22)) 100,00% (213 (18))

    • Discussie en conclusie

      In dit onderzoek werd getracht het beste van twee methodologische werelden te combineren: de diepte van een kwalitatief onderzoek werd gecombineerd met de grootschaligheid van een kwantitatief onderzoek. Door een groot aantal interviewers te mobiliseren en een getrapte procedure te hanteren, waarbij zowel tussen de eenheden (geografische spreiding) als binnen de eenheden (interne heterogeniteit) voor variatie werd gezorgd, werd getracht een goed beeld te scheppen van de beweegredenen, motieven en perceptie ten aanzien van zowel BIN’s als informele buurtpreventie-initiatieven op basis van interviews met zowel BIN-leden als niet-BIN-leden.
      Over het algemeen kan geconcludeerd worden dat de respondenten een positievere invloed percipiëren of verwachten op de objectieve veiligheid, subjectieve veiligheid en sociale relaties tussen buurtbewoners van het formele BIN dan van de informele buurtpreventie-initiatieven. De verschillen met de informele buurtpreventie-initiatieven zijn – in het nadeel van deze vorm – het sterkst op het vlak van objectieve veiligheid (in termen van positieve invloed) en subjectieve veiligheid (in termen van negatieve invloed). Er kan geconcludeerd worden dat, de verschillende factoren vergelijkend, de meest positieve invloed vastgesteld of verwacht wordt op het vlak van de objectieve veiligheid.
      Opmerkelijk is dat er voor bepaalde aspecten een verschil wordt teruggevonden tussen BIN-leden en niet-BIN-leden. Dit geldt met name voor de versterking van de sociale relaties tussen buurtbewoners onderling. In dit geval is sprake van een verschil van circa 10 procentpunt: niet-BIN-leden zijn positiever gestemd over het (verwachte) effect van het BIN op de sociale relaties tussen buurtbewoners dan BIN-leden. Dit zou kunnen wijzen op een zekere ontgoocheling bij BIN-leden, waarbij de verwachte versterking in realiteit tegenvalt.
      Voor wat betreft de invloed op het politiewerk kan geconcludeerd worden dat de invloed op de uitoefening van formele controle min of meer gelijk wordt gepercipieerd tussen BIN’s en informele buurtpreventie-initiatieven. Voor de invloed op de interventiesnelheid van de politie en de relatie burger-politie geldt dat men van mening is dat het BIN hier over het algemeen een iets positievere invloed op heeft dan de informele initiatieven (beide bijna 10 procentpunt verschil). De drie criteria gericht op politiewerk overziend, wordt de meest positieve invloed verwacht op het vlak van de relatie tussen burger en politie (driekwart van de respondenten in geval van het formele BIN en twee derde van de respondenten in geval van de informele initiatieven).
      Tot slot bleek dat circa 41,5 procent van zowel BIN-leden als niet-BIN-leden de voorkeur geeft aan het gebruik van informele buurtpreventie-initiatieven. De voorkeuren ten aanzien van een face-to-face- dan wel een digitaal BIN variëren sterk. In totaliteit blijkt de voorkeur bij BIN-leden precies verdeeld te zijn: 37,80 procent prefereert een digitaal platform, 37,80 procent prefereert een ­face-to-faceplatform, en 24,41 procent prefereert een combinatie van beide. De niet-BIN-leden prefereren met 46,01 procent veelal een digitaal platform. De voorkeuren verschillen ook per leeftijdscategorie: waar de voorkeur voor het gebruik van beide modi naast elkaar ongeveer gelijk blijft over de leeftijdscategorieën heen, neemt het aandeel dat de voorkeur geeft aan een fysiek initiatief sterk toe vanaf de categorie 45-54 jaar.

      Beleidsvraagstuk: formele en/of informele buurtpreventie-initiatieven?

      De hierboven beschreven bevindingen doen ons nadenken over de vraag: zijn formele BIN’s en informele initiatieven complementair aan of vervangend voor elkaar? Gaat het dus louter om oude wijn in nieuwe zakken, of zijn het wezenlijk andersoortige preventie-initiatieven? Waar BIN’s een formele omkadering hebben, is een dergelijke omkadering in geval van informele initiatieven vaak afwezig. Opmerkelijk is dat het destijds exact dat gebrek aan omkadering was dat het ontstaan van de BIN’s (en daarmee samenhangende wet- en regelgeving) in België initieerde. Hier kan vastgesteld worden dat het in deze veranderende context ontbreekt aan de handhaving van de wet- en regelgeving ter zake.
      Beide vormen hebben zowel voor- als nadelen. Bovendien laat voorgaand onderzoek (Lub & De Leeuw, 2019; Van der Land, 2014) zien dat één universele strategie niet bestaat en er dus, afhankelijk van de context, keuzes moeten worden gemaakt in de aard en opzet van het buurtpreventie-initiatief. In lijn met voorgaand onderzoek zouden we daarom adviseren: laat los waar het kan, stuur waar het moet (Bervoets e.a., 2016). Het blijkt namelijk dat er verscheidenheid bestaat in de wijze waarop burgers een antwoord formuleren op criminaliteits- en onveiligheidsproblemen in hun (woon)buurt (Degraeuwe, 2010). De omkadering zorgt voor betere afspraken en verschaft de mogelijkheid om te sturen waar het moet. Daarbinnen moet ruimte zijn voor improvisatie en bottom-up initiatieven.
      In buurten waar voldoende voedingsbodem is voor een bottom-up initiatief, zal het bieden van kaders en handvatten voldoende zijn. In buurten waar dat niet het geval is, zal men een meer instrumentele strategie moeten inzetten (Van der Land, 2014), waarbij het buurtpreventie-initiatief een middel is om grip te krijgen op ­lokale problematieken. Het is hierbij van belang om oog te hebben voor de preventie- of participatieparadox (Eysink Smeets, 2015), waarbij de betrachting om het risicobewustzijn te vergroten juist averechts werkt en meer onveiligheidsgevoelens teweegbrengt. Ongecontroleerde informatiestromen, zoals via sociale media, dragen in dat licht hoogstwaarschijnlijk niet bij aan de verbetering van de veiligheidsbeleving. De toenemende belangrijkheid van digitale communicatieplatforms en sociale media heeft ook gevolgen voor de directheid van communicatie: een bericht aan iedereen en een groepsgesprek kunnen gepercipieerd worden als een bericht aan niemand. Dit kan sociale processen in gang zetten die niet bevorderlijk werken voor de collectieve weerbaarheid van de buurt, zoals het omstanderseffect (Fischer e.a., 2011). Tot slot is het van belang om rekening te houden met de implicaties van keuzes voor bepaalde platforms. De keuze voor niet-digitale initiatieven impliceert dat bepaalde doelgroepen niet aangesproken worden, maar de keuze voor digitale initiatieven houdt het risico in om bepaalde groepen uit te sluiten, omwille van de zogenoemde digital divide (Yu, 2006).

      Beperkingen van deze studie

      Ondanks het feit dat dit kwalitatief onderzoek inzicht biedt in beweegredenen, motieven en percepties, is het niet mogelijk om deze resultaten te veralgemenen naar andere gebieden of tijdsperioden. De conclusies dienen daarom als indicatief te worden beschouwd. Los van diens eigen beperkingen is bijkomend kwantitatief (of beter: mixed methods) onderzoek noodzakelijk om in een representatieve steekproef na te gaan welke inzichten kunnen worden verkregen en in welke mate bepaalde vaststellingen te veralgemenen zijn (zie Hardyns e.a., 2022 voor een eerste, verkennende, aanzet). Concrete suggesties voor vervolgonderzoek worden in de volgende paragraaf gedaan.
      De gehanteerde methode en selectie van onderzoeksgebieden en -eenheden zorgden ook voor een zekere mate van bias in de resultaten. Allereerst werd de selectie van onderzoeksgebieden overgelaten aan de groepen studenten die instonden voor de interviews. Ten tweede werd uitsluitend onderzoek gedaan in gebieden waar een BIN actief was, maar die gebieden zouden weleens andere kenmerken kunnen hebben dan gebieden waar geen BIN actief is. Ten derde gebeurde de selectie van eenheden binnen die gebieden enerzijds via de sneeuwbalmethode (voor wat ­betreft de BIN-leden) en anderzijds random, door de buurt te bezoeken en buurtbewoners of sleutelfiguren te benaderen. Om te controleren voor relevante kenmerken is het aangewezen een steekproefkader te gebruiken.

      Toekomstig onderzoek

      Deze studie levert enkele inzichten op voor wat in toekomstig onderzoek inhoudelijk onderzocht kan worden. Doordat een diversiteit aan concepten die gerelateerd zijn aan lokale (on)veiligheid en politiewerk bevraagd werden, wordt inzicht geboden in hoe buurtbewoners de werking van formele en informele buurtpreventie-initiatieven ten aanzien van deze concepten percipiëren. We zouden willen aanbevelen in toekomstig onderzoek evenzeer te vertrekken vanuit een brede scope wanneer het gaat om de werking van buurtpreventie-initiatieven in relatie tot ­lokale veiligheid en politiewerk. Zo niet, dan dreigt men een te eenzijdig beeld te schetsen, bijvoorbeeld door enkel te kijken naar de criminaliteitscijfers.
      Toekomstige studies die zich richten op (de evaluatie van) buurtpreventie-initiatieven vertrekken bij voorkeur vanuit een wetenschappelijk realistisch perspectief. Dit geldt niet alleen voor de analyse van mechanismen die verklaard worden, zoals vooropgesteld in de analytische criminologie (zie bijv. Wikström & Kroneberg, 2022), maar ook in de evaluatie van preventieprojecten, zoals voorgesteld in de realist evaluation (Pawson & Tilley, 1997). Hierbij is niet zozeer aandacht voor de vraag ‘wat werkt?’, maar wel voor de vraag ‘wat werkt voor wie in welke omstandigheden, en hoe werkt het?’ Concreet is het bijvoorbeeld van belang om te differen­tiëren in het type gebied dat wordt bestudeerd, maar ook bijvoorbeeld in de tijd dat het buurtpreventie-initiatief reeds actief is in de buurt. Het hierna beschreven ­EMMIE-raamwerk kan met enige vertaling ook handvatten bieden voor individuele studies. Deze toekomstige studies hebben, zoals eerder gesteld, bij voorkeur een mixed ­methods onderzoeksdesign (Johnson e.a., 2015).
      Vervolgstudies zouden zich ook moeten toeleggen op het uitvoeren van replicatieonderzoek. Replicatie is een hoeksteen van wetenschappelijk onderzoek (Pridemore e.a., 2018). Zeker in een wetenschap die in hoge mate beleids- en praktijkrelevant is, zoals de criminologie, is het belangrijk dat onderzoeksresultaten gerepliceerd worden, om te kunnen komen tot een op kennis gebaseerd preventiebeleid. Hierbij dient aandacht te zijn voor de strategieën die de reproduceerbaarheid van studies in de criminologie kunnen vergroten (Lösel, 2018).
      Tot slot is het de hoogste tijd om de systematische bundeling van studies en ­meta-analytisch onderzoek met betrekking tot buurtpreventie-initiatieven te updaten en uit te breiden. De meest actuele meta-evaluatiestudie met betrekking tot BIN’s (Bennett e.a., 2008) dateert van veertien jaar geleden en de meest recente studie die in die metastudie geïncludeerd werd, dateert van 1994, ondertussen bijna 30 jaar geleden! Deze nieuwe systematische review zou ook moeten voldoen aan de standaarden die vandaag de dag beschikbaar zijn. In het bijzonder dient men aandacht te hebben voor het EMMIE-raamwerk (Johnson e.a., 2015). Dit ­EMMIE-raamwerk bevat vijf dimensies waar systematische review oog voor zou moeten hebben: effecten (Effects) van een interventie, de identificatie van causale mechanismen (Mechanisms) door middel waarvan interventies worden geacht te werken, de factoren of contexten die de impact van interventies modereren (Mod­erators), de aandacht voor praktische implementatieproblemen (Implementation) en de economische kosten (Economic cost) van interventies. Naast de evaluatie van BIN’s of neighborhood watch projects zou, zoals in deze studie, ook meer aandacht moeten uitgaan naar de systematische bundeling van evaluaties van informele ­(digitale) buurtpreventie-initiatieven.

    • Literatuur
    • Akkermans, M. & Vollaard, B. (2015). Effect van het WhatsApp-project in Tilburg op het aantal woninginbraken – een evaluatie. Universiteit Tilburg.

    • Anderton, K.J. (1985). The Effectiveness of Home Watch Schemes in Cheshire. Cheshire Constabulary.

    • Bennett, T., Holloway, K. & Farrington, D.P. (2006). Does neighborhood watch reduce ­crime? A systematic review and meta-analysis. Journal of Experimental Criminology, 2, 437-458.

    • Bennett, T., Holloway, K. & Farrington, D. (2008). The effectiveness of neighborhood watch. Campbell Systematic Reviews, 4(1), 1-48.

    • Bervoets, E., Ham, T. van & Ferwerda, H. (2016). Samen signaleren. Burgerparticipatie bij sociale veiligheid. Den Haag: Platform31.

    • Bjørgo, T. (2016). Preventing Crime: A Holistic Approach. New York: Palgrave Macmillan.

    • Blokland, T. (2008). Oog voor elkaar: veiligheidsbeleving en sociale controle in de grote stad. Amsterdam: Amsterdam University Press.

    • Cirel, P., Evans, P. & McGillis, D. (1977). Community Crime Prevention Program Seattle: An Exemplary Project. Washington: Government Printing Office.

    • De Meulenaere, J. (2020). Online Neighborhood Networks. A Multi-Perspective Inquiry into Emergent Community Construction (dissertatie Universiteit Gent). Geraadpleegd op http://hdl.handle.net/1854/LU-8650736.

    • Degraeuwe, T. (2010). Samen onveiligheid te lijf? Lokale burgerinitiatieven inzake criminaliteit en onveiligheid. Panopticon, 31(6), 37-53.

    • Eysink Smeets, M. (2015). De preventie- of participatieparadox. Paper gepresenteerd op het jaarcongres van de Nederlandse Vereniging voor Criminologie te Leiden.

    • Eysink Smeets, M. & Vollaard, B. (2015). Trends in perceptie van criminaliteit. Tijdschrift voor Criminologie, 57(2), 229-241. https://doi.org/10.5553/TvC/0165182X 2015057002004.

    • Eysink Smeets, M., Schram, K., Elzinga, A. & Zoutendijk, J. (2019). Alerte burgers, meer veiligheid? De werking van digitale buurtpreventie in Rotterdam. Geraadpleegd op www.inholland.nl/onderzoek/publicaties/alerte-burgers-meer-veiligheid.

    • Farrington, D.P., Gottfredson, D.C., Sherman, L.W. & Welsh, B.C. (2002). The Maryland Scientific Methods Scale. In: L.W. Sherman, D.P. Farrington, B.C. Welsh & D.L. MacKenzie (eds.). Evidence-Based Crime Prevention. London: Routledge, 13-21.

    • Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. (z.d.). Een BIN oprichten. Geraadpleegd op www.besafe.be/nl/veiligheidsthemas/buurtinformatienetwerk/een-bin-oprichten.

    • Fischer, P., Krueger, J.I., Greitemeyer, T., Vogrincic, C., Kastenmüller, A., Frey, D., Heene, M., Wicher, M. & Kainbacher, M. (2011). The bystander-effect: a meta-analytic review on bystander intervention in dangerous and non-dangerous emergencies. Psychological Bulletin, 137(4), 517-537. https://doi.org/10.1037/a0023304.

    • Hardyns, W. & Pauwels, L. (2012). Collective efficacy, sociaal kapitaal en ‘fear of crime’: een evaluatie van contextuele effecten op drie aspecten van onveiligheidsbeleving. Tijdschrift voor Criminologie, 54(4), 304-319.

    • Hardyns, W., Snaphaan, T. & Pauwels, L. (2022). Buurtinformatienetwerken en lokale veiligheid. Een evaluatiestudie op basis van een mixed-method experimenteel design. Den Haag: Boom criminologie.

    • Hollis-Peel, M.E., Reynald, D.M., Bavel, M. van, Elffers, H. & Welsh, B.C. (2011). Guard­ianship for crime prevention: a critical review of the literature. Crime, Law & Social ­Change, 56, 53-70. https://doi.org/10.1007/s10611-011-9309-2.

    • Husain, S. (1990). Neighborhood Watch and Crime: An assessment of Impact. London: Police Foundation.

    • Johnson, S.D., Tilley, N. & Bowers, K.J. (2015). Introducing EMMIE: an evidence rating ­scale to encourage mixed-method crime prevention synthesis reviews. Journal of Experimental Criminology, 11, 459-473. https://doi.org/10.1007/s11292-015-9238-7.

    • Kadar, C., Te, F.Y., Brüngger, R. & Pletikosa, C.I. (2016). Digital neighborhood watch: to share or not to share? Proceedings of the 2016 CHI Conference Extended Abstracts on Human Factors in Computing Systems. New York: Association for Computing Machinery, 2148-2155. https://doi.org/10.1145/2851581.2892400.

    • Kokkeler, B.J.M., Minne, S.M. van der, Suijkerbuijk, K., Gailliaert, C. & Beer, R. de (2018). Digitale buurtpreventie. Een verkennende studie rond de casus Veiligebuurt.nl. Avans Hogeschool – Expertisecentrum Veiligheid.

    • Kop, N., Brinkhoff, S. & Halderen, R.C. van (2020). Burgeropsporing: kansen en uitdagingen in een snel ontwikkelende praktijk. Tijdschrift voor Veiligheid, 19(2-3), 3-7.

    • Land, M. van der (2014). De buurtwacht. Naar een balans tussen instrumentalisering en autonomie van burgers in veiligheid. Vrije Universiteit Amsterdam.

    • Laycock, G. & Tilley, N. (1995). Policing and Neighbourhood Watch: Strategic Issues. London: Home Office Police Department.

    • Lösel, F. (2018). Evidence comes by replication, but needs differentiation. The reproducibility issue in science and its relevance for criminology. Journal of Experimental Criminology, 14(3), 257-278. https://doi.org/10.1007/s11292-017-9297-z.

    • Lub, V. (2016). Buurtwachten in Nederland: ontwikkeling, mechanismen en morele implicaties. Justitiële verkenningen, 42(5), 27-44.

    • Lub, V. & Leeuw, T. de (2019). Politie en actief burgerschap: een veilig verbond? Een onderzoek naar samenwerking, controle en (neven)effecten. Den Haag: Politie en Wetenschap.

    • Mols, A. & Pridmore, J. (2019). When citizens are ‘actually doing police work’. The blurring of boundaries in WhatsApp neighbourhood crime prevention groups in the Netherlands. Surveillance & Society, 17(3-4), 272-287.

    • Musik, C. & Bogner, A. (eds.) (2019). Digitalization and Society. A Sociology of Technology Perspective on Current Trends in Data, Digital Security and the Internet. Wiesbaden: Springer.

    • Pauwels, L.J.R. & Hardyns, W. (2009). Measuring community (dis)organizational processes through key informant analysis. European Journal of Criminology, 6(5), 401-417. https://doi.org/10.1177/1477370809337878.

    • Pawson, R. & Tilley, N. (1997). Realistic Evaluation. London: SAGE.

    • Pouseele, P. (2002). Buurtinformatienetwerken: samen zorgen voor veiligheid. Handboek Politiediensten, 63, 1-33.

    • Pridemore, W.A., Makel, M.C. & Plucker, J.A. (2018). Replication in criminology and the social sciences. Annual Review of Criminology, 1, 19-38. https://doi.org/10.1146/annurev-criminol-032317-091849.

    • QSR International. (2018). NVivo 12 (Windows). Retrieved from https://help-nv.qsrinternational.com/12/win/v12.1.105-d3ea61/Content/welcome.htm.

    • Reynald, D.M. (2019). Guardianship in the digital age. Criminal Justice Review, 44(1), 11-24. https://doi.org/10.1177/0734016818813693.

    • Sampson, R.J. (2012). Great American City. Chicago and the Enduring Neighbourhood Effect. Chicago: University of Chicago Press.

    • Sherman, L.W. & Eck, J.E. (2002). Policing for crime prevention. In: L.W. Sherman, D.P. Farrington, B.C. Welsh & D.L. MacKenzie (eds.). Evidence-Based Crime Prevention. London: Routledge, 295-329.

    • Sherman, L.W., Gottfredson, D.C., MacKenzie, D.L., Eck, J., Reuter, P. & Bushway, S. (1997). Preventing Crime: What Works, What Doesn’t, What’s Promising. Washington, DC: U.S. Department of Justice. Retrieved from https://nij.ojp.gov/library/publications/preventing-crime-what-works-what-doesnt-whats-promising-report-united-states.

    • Steden, R. van & Mehlbaum, S. (2021). Do-it-yourself surveillance: the practices and effects of WhatsApp Neighbourhood Crime Prevention groups. Crime Media Culture. https://doi.org/10.1177/17416590211041017.

    • Stokkom, B. van & Bervoets, E. (2017). Vigilantes en digilantes. Democratische spelregels voor burgerpatrouilles en opsporingsmeutes. In: P. Ponsaers, E. Devroe, K. van der Vijver, L. Gunther Moor, J. Janssen & B. van Stokkom (eds.). Eigenrichting (Cahiers Politiestudies, nr. 43). Antwerpen: Maklu, 135-144.

    • Terpstra, J. (2009). De betekenis van burgerinitiatieven als instrument van een geïntegreerde veiligheidszorg. In: S. De Kimpe & A. Collier (eds.). De Integrale Veiligheidstoolbox: Kant en Klaar Bruikbaar? (Cahiers Integrale Veiligheid, nr. 6). Brussel: Politeia, 199-217.

    • Titus, R. (1984). Residential burglary and the community response. In: R.V.G. Clarke & T. Hope (eds.). Coping with Burglary. Dordrecht: Kluwer Nijhoff, 97-130.

    • Wikström, P.-O.H., & Kroneberg, C. (2022). Analytic criminology: Mechanisms and methods in the explanation of crime and its causes. Annual Review of Criminology, 5, 179-203. https://doi.org/10.1146/annurev-criminol-030920-091320.

    • Yarwood, R. (2012). Neighbourhood watch. In: S.J. Smith, M. Elsinga, L. Fox O’Mahony, O.S. Eng, S. Wachter & M.P. Eastaway (eds.). International Encyclopedia of Housing and Home (Vol. 5). Oxford: Elsevier, 90-95.

    • Yu, L. (2006). Understanding information inequality: making sense of the literature of the information and digital divides. Journal of Librarianship and Information Science, 38(4), 229-252. https://doi.org/10.1177/0961000606070600.

    • Appendix. Beschrijving respondenten

      Tabel 5 Beschrijvend overzicht onderzochte BIN-gebieden (excl. BIN-Z’s)
      ProvincieN BINn BIN%n respondenten% van totaal
      Antwerpen 473 3 0,63% 24 6,32%
      Oost-Vlaanderen 267 33 12,36% 256 67,37%
      Vlaams-Brabant 78 2 2,56% 16 4,21%
      West-Vlaanderen 58 11 18,97% 84 22,11%
      Totaal 899 49 5,45% 380 100,01%

      Tabel 6 Werkzaam in de buurt naargelang de rol van de respondent (n=376, 4 missings); percentage van het aandeel (n tussen haakjes)
      RolWerkzaam in de buurtNiet werkzaam in de buurt
      BIN-coördinator 24,07% (13) 75,93% (41)
      BIN-lid 34,78% (32) 65,22% (60)
      Buurtbewoner 2,11% (3) 97,89% (139)
      Key informant 100,00% (88) 0,00% (0)
      Totaal 36,17% (136) 68,83% (240)

      Tabel 7 Beschrijvende kenmerken respondenten (n=380)
      PercentageAantal (n)
      Rol
      BIN-coördinator 14,21% 54
      BIN-lid 25,00% 95
      Buurtbewoner (niet-BIN-lid) 37,63% 143
      Key informant (niet-BIN-lid) 23,16% 88
      Totaal 100,00% 380
      Geslacht
      Man 47,72% 178
      Vrouw 52,28% 195
      Totaal (missing) 100,00% 373 (7)
      Leeftijdscategorie
      18-24 14,78% 55
      25-34 8,33% 31
      35-44 15,86% 59
      45-54 21,77% 81
      55-64 21,24% 79
      65-74 13,71% 51
      75+ 4,30% 16
      Totaal (missing) 100,00% 372 (8)
      Hoogst behaalde opleiding
      Lager onderwijs 4,89% 18
      Secundair onderwijs 36,96% 136
      Hoger onderwijs 39,67% 146
      Universitair onderwijs 18,48% 68
      Totaal (missing) 100,00% 368 (12)

    Noten

    • 1 Wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden, BS 7 augustus 1934.

    • 2 Omz. I/VSPP/8 van 9 april 1998 betreffende de Buurtinformatienetwerken.

    • 3 Omz. van 8 april 2019 tot wijziging van de omzendbrief van 28 februari 2019 inzake de Buurtinformatienetwerken, www.besafe.be/sites/default/files/2019-04/aanpassing_-omzendbrief_bin.pdf.

    • 4 Ondanks dat het eerste BIN in België werd opgericht in 1994 (zie supra) gaan de data van de FOD Binnenlandse Zaken slechts terug tot 2008, aangezien het beheer en de coördinatie van buurtinformatienetwerken pas sinds 2009 bij hen liggen. Voordien werd de coördinatie door een vereniging zonder winstoogmerk (‘vzw Buurtinformatienetwerken’) waargenomen (Pouseele, 2002).

    • 5 Zowel in België als in Nederland is een organisatie opgericht die deze initiatieven bundelt, onder de naam WhatsApp BuurtPreventie (WABP), zie https://wabp.be/ voor België en https://wabp.nl/ voor Nederland.

    • 6 Zie www.hoplr.com/.

    • 7 Zie https://nextdoor.nl/.

    • 8 Zie https://veiligebuurt.nl/.

    • 9 De auteurs bedanken alle studenten Criminologische Wetenschappen (Universiteit Gent), die zorgvuldig hebben bijgedragen aan deze dataverzameling. In het bijzonder willen zij student-­onderzoekers Laura Willems en Lotte De Cock bedanken voor hun inspanningen gedurende hun stageperiode bij de onderzoeksgroep ten aanzien van de integrale codering en verkennende analyse van de rijke kwalitatieve dataset.

    • 10 Omwille van didactische en methodologische redenen werd ervoor gekozen om iedere interviewer twee interviews te laten afnemen. Niet alle groepen bestonden echter uit vier interviewers. Er namen 190 interviewers deel aan deze dataverzameling, wat resulteerde in 380 kwalitatieve interviews.

    • 11 Aangezien de dataverzameling werd uitgevoerd door studenten Criminologische Wetenschappen van de Universiteit Gent, werd geopteerd om de studenten enkel BIN’s te laten selecteren uit Vlaanderen.

    • 12 BIN-Z’s (d.w.z. BIN’s voor (zelfstandige) ondernemers) zijn hiervan uitgesloten en werden buiten beschouwing gelaten, omdat de centrale focus ligt op de invloed van individuele processen tussen burgers onderling en tussen burgers en politie. Er bestonden 146 BIN-Z’s in 2019 in Vlaanderen, wat het totaal aantal BIN’s in Vlaanderen op 1.045 bracht (Hardyns e.a., 2022).

    • 13 Sleutelfiguur of key informant: iemand die, door de specifieke rol die hij/zij vervult in een wijk, een uniek inzicht heeft in het reilen en zeilen van die wijk (‘bevoorrechte getuige’) (Pauwels & Hardyns, 2009).

    • 14 Dit tweede inclusiecriterium werd in uitzonderingsgevallen lichtelijk verruimd, omdat bleek dat in sommige gevallen alle buurtbewoners binnen het geografisch gebied waar een BIN actief is lid waren van het BIN en er geen sleutelfiguren (bijv. lokale ondernemers) actief waren. In deze gevallen werden buurtbewoners en/of sleutelfiguren net buiten het geografisch gebied waar het BIN actief is bevraagd, met vermelding van het feit dat de vragen betrekking hebben op het geografisch gebied waar het BIN actief is.

    • 15 Kenmerken zoals geslacht, leeftijdscategorie, opleidingsniveau, werkzaam in de buurt en rol (d.w.z. BIN-coördinator, BIN-lid, niet-BIN-lid, zijnde buurtbewoner of key informant).

    • 16 Merk op dat hier sprake is van enkele dubbeltellingen, omdat de antwoorden van negentien respondenten dubbel gecodeerd werden. Zij gaven namelijk aan dat de invloed van het BIN op de subjectieve veiligheid deels positief en deels negatief is. Zij gaven bijvoorbeeld aan dat de communicatie positief is, omdat men beter op de hoogte is, maar als mensen te veel gaan melden, dat wellicht een negatief effect kan hebben.


Print dit artikel