DOI: 10.5553/TCC/221195072024014001001

Tijdschrift over Cultuur & CriminaliteitAccess_open

Artikel

Dichtbij

Inleiding op dit themanummer

Trefwoorden afstand of dichtbij, een-op-eenrelatie, reflecteren, positie onderzoeker, informed consent
Auteurs
DOI
Toon volledige grootte
Samenvatting Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Frank van Gemert en Hans Nelen. (2024). Dichtbij. Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit (14) 1, 3-14.

    As a result of stricter regulations and critical views on the position of researchers, field studies are being conducted less frequently. Keeping distance seems a safe standard, but data collected at close range is valuable for cultural criminologists who investigate people of flesh and blood in real life – the contributions in this theme issue report on ethnographic or biographical research. The authors' extensive reflections paint a realistic picture of their one-to-one relationships with the protagonists of their research.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      In Cold Blood is een beroemd boek uit 1965 van Truman Capote, die daarmee claimde de eerste non-fictieroman te hebben geschreven. Een schokkende en raadselachtige, viervoudige moord op een familie in de kleine stad Holcomb in Kansas was in 1959 het begin van dit verhaal. Capote wilde ontrafelen wat er was voorgevallen en wat de impact van het geweld was op de bewoners. Hij meende daarvoor ter plekke te moeten zijn, liet het artistieke milieu van New York achter zich en reisde af naar het platteland van het Midden-Westen. Niet veel later werden twee daders in de kraag gegrepen en Capote kon van nabij volgen hoe deze voor de rechter kwamen en werden veroordeeld. Zijn onderzoek kreeg een andere invulling toen hij zich ook op de moordenaars ging richten. Met een van de twee kreeg hij een vriendschappelijke band, wat ertoe leidde dat diens onvermijdelijke executie Capote zwaar raakte. Toen het boek uitkwam, was dat een hoogtepunt in zijn loopbaan als schrijver, maar als mens kwam hij de klap niet meer te boven.
      De twee films Capote en Infamous, die veel op elkaar lijken en kort na elkaar (in 2005 en 2006) zijn verschenen, laten zien hoe de schrijver te werk ging en hoe het boek tot stand is gekomen. Enerzijds ondersteunde hij de moordenaar met wie hij bevriend raakte, anderzijds werkte hij aan zijn meesterwerk en had hij vooral belangstelling voor de nog ontbrekende stukjes van het verhaal. Waar mogelijk gebruikte Capote zijn reputatie als gevierd schrijver en ook voor incidentele omkoping leek hij niet terug te schrikken. Dat resulteerde in een emotionele spagaat, die nog werd vergroot doordat hij kritiek kreeg op zijn werkwijze. In Cold Blood was Capotes laatste belangrijke boek (Capote, 1965). Hij raakte verslaafd aan drank en drugs en overleed in 1984 op 59-jarige leeftijd.
      Truman Capote was gedreven en zeer getalenteerd. Hij schreef een fascinerend boek, maar zijn manier van werken leidde ook zijn eigen ondergang in. Capote was geen wetenschapper, maar een schrijver die ook journalistieke ambities had en bovendien speelde dit zich af in een andere tijd. Toch is zijn verhaal in dit themanummer op zijn plaats, omdat het laat zien hoe hij zich inspande om dichtbij te komen en keuzes maakte die hem veel opleverden, maar waarvoor hij ook een prijs betaalde. In de bijdragen van dit nummer doen criminologen verslag van hun eigen ervaringen als ze tijdens hun onderzoek dichtbij komen en de afstand tot centrale personen in het veld heel klein laten worden. De gelijkenis is onmiskenbaar – spoiler alert – maar toch loopt het bij deze wetenschappers niet mis.
      De auteurs die aan dit special issue een bijdrage hebben geleverd, voerden gedetailleerde, intensieve casestudies uit die het karakter hebben van een etnografie of biografie. Aan ‘boevenbiografieën’ is eerder door dit tijdschrift een themanummer gewijd (2012/3). Dat nummer stond vooral in het teken van de toegevoegde waarde van de biografie aan de criminologie. Ook in het themanummer over de ontwikkelingen in de narratieve criminologie (2020/3) is op verschillende plaatsen de link gelegd met participatief actieonderzoek en auto-etnografie. In het onderhavige nummer ‘Dichtbij’ gaat de aandacht echter primair uit naar de relatie en interactie tussen de onderzoeker en de hoofdpersoon. De auteurs van de verschillende bijdragen dienden ten behoeve van hun onderzoek, ieder op geheel eigen wijze, een bijzondere relatie op te bouwen en te onderhouden met een bepaalde persoon uit het veld. Deze persoon was voor de criminoloog interessant, omdat hij of zij zich bewoog op en over de grens van het toelaatbare.
      In deze inleidende beschouwing plaatsen we de bijdragen in een kader. We staan als eerste stil bij de bezwaren en beletsels die worden genoemd bij dit soort studies. Vervolgens dient zich een aantal vragen aan: waarom willen deze onderzoekers dan toch dichtbij komen, hoe doen ze dat en hoe omzeilen ze de klippen die in de literatuur worden genoemd?

    • 2 Afstand, afstand, afstand

      Wie zich dicht op het te bestuderen verschijnsel bevindt, kan het grotere plaatje niet zien. De onderzoeker die ter plekke is, beïnvloedt de werkelijkheid die hij bestudeert. Dat zijn twee argumenten die logisch klinken en die ervoor pleiten afstand te houden. We gaan ze hier niet uitgebreid bespreken. Ten aanzien van het eerste argument wijzen we er slechts op dat dit even gemakkelijk kan worden omgekeerd. De onderzoeker die afstand houdt, zal relevante details over het hoofd zien en de samenhang niet goed begrijpen. Wat de verstoring door aanwezigheid van de onderzoeker betreft, wijzen we erop dat het hier niet om een natuurwetenschappelijk experiment gaat. Een vergelijking daarmee doet geen recht aan de manier waarop bijvoorbeeld de onderzoekers uit dit themanummer te werk gaan. Zij kijken naar de hoofdpersoon en naar zijn of haar gedrag1x Omdat het in dit type studies meestal over mannelijke hoofdpersonen gaat, worden ten behoeve van de leesbaarheid in dit artikel uitsluitend mannelijke persoonlijke voornaamwoorden gebruikt. Daarmee doen we menig onderzoeker tekort, want in die populatie zijn geslacht en gender steeds minder onderscheidend. in de natuurlijke setting van het alledaagse leven. Ze herhalen hun waarnemingen, trianguleren bronnen, reflecteren op hun bevindingen en doen dat over een langere periode.
      Argumenten van een andere soort stellen dat afstand houden noodzakelijk is, omdat het te grote betrokkenheid voorkomt. De onafhankelijke onderzoeker kan zelf beslissingen nemen en zijn onderzoek sturen. Raakt hij geïnvolveerd, dan komen allerlei zaken in beeld waar hij rekening mee moet houden. Krijgt die betrokkenheid een emotionele lading omdat de onderzoeker een intense band opbouwt met mensen uit het veld, dan wordt de klus nog ingewikkelder. Van een evidente fout is sprake wanneer de onderzoeker zich mengt in de criminele levenswandel van informanten. Ten aanzien van betrokkenheid is dus sprake van een spectrum.
      Deviantie en criminaliteit zijn het terrein van de criminologie, maar de onderzoeker is niet de enige die werkt met personen die zich op en over de grens van de wet bewegen. De politiefunctionaris, advocaat, psycholoog, bewaarder of reclasseringsbeambte komen ook in contact met regelovertreders en criminelen, maar zij doen dat binnen bepaalde kaders die aan hun beroep zijn verbonden. Deze professionals hebben elk een specifieke rol die zich verhoudt tot de hoofdpersoon in diens rol van verdachte, cliënt, patiënt of gedetineerde. De onderzoekers die in de volgende bijdragen aan het woord komen, treffen de hoofdpersoon niet op het politiebureau, in de rechtszaal, in een kliniek of in de gevangenis, waar hij tegen zijn wil op vreemde bodem verblijft. Deze criminologen komen achter hun bureau vandaan en zijn zelf in eerste instantie buitenstaanders als ze naar het veld gaan waar het alledaagse leven van de hoofdpersoon zich afspeelt.
      De hierboven genoemde professionals hanteren een standaard die hun eigen rollen strikt scheiden van die van de hoofdpersoon, maar ondanks de afstemming die dit vereist, kan het nog steeds verkeerd gaan. We kennen de verhalen van bewaarders die werden betrapt toen ze contrabande doorlieten; van politiemensen die zijn afgegleden naar het criminele milieu; van sociotherapeuten die relaties aangingen met tbs-patiënten; en, last but not least, van advocaten die zich hebben laten gebruiken om berichten van cliënten door te spelen of functionarissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen probeerden om te kopen om hun cliënt eerder op vrije voeten te krijgen. Om misstappen als deze te voorkomen kennen de politiefunctionaris, advocaat, psycholoog en bewaarder aan hun beroep gekoppelde regels en ethische codes.
      Dit type codes en gedragsregels is ook de wetenschap niet onbekend. Criminologen zijn in de eerste plaats gebonden aan de principes en normen die zijn neergelegd in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit, die in 2018 voor de laatste keer grondig is herzien.2x Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018. Bij de totstandkoming daarvan waren verschillende overkoepelende organisaties betrokken, zoals o.a. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). In deze code worden vijf principes genoemd: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Daaruit zijn 61 normen voor goede onderzoekspraktijken en zorgplichten voor onderzoeksinstellingen afgeleid. In het kader van deze beschouwing is vooral van belang dat vanwege de vertrouwelijke relatie tussen onderzoeker en hoofdpersonen het niet altijd mogelijk en wenselijk is om alle bronnen toegankelijk en controleerbaar te maken voor derden, zoals de Gedragscode voorschrijft. Evenmin zal altijd kunnen worden voldaan aan het vereiste om met behulp van officiële documenten toestemming van respondenten te verkrijgen.
      Analoog aan regels rond privacy en beroepsgeheim die men in de medische wereld hanteert, wordt van de onderzoeker in toenemende mate verlangd dat hij de informant middels informed consent voorafgaand aan het onderzoek inlicht en toestemming vraagt om diens medewerking te formaliseren. Dat kan gebeuren door inzicht te verschaffen in vraagstelling, aanpak en te gebruiken methoden, maar ook door afspraken te maken over anonimiteit en eventuele vergoeding. De onderzoeker dient zich ook af te vragen wat de impact is van het onderzoek op de informant (cf. Jaspers & Christiaens, 2022).
      Van de Bunt (2015) heeft in een eerder stuk in dit tijdschrift uitvoerig en overtuigend aangetoond wat de risico’s zijn van een te rigide toepassing van het criterium van informed consent. Strikt vasthouden aan deze voorwaarde kan het doen van bepaald type onderzoek – in het bijzonder etnografische studies onder moeilijk toegankelijke populaties – bemoeilijken, ja zelfs onmogelijk maken. Bij dit type studies is het cruciaal om het vertrouwen van de respondenten te winnen en in dat (vaak langdurige) proces past het veelal niet om hen vooraf schriftelijke verklaringen te laten ondertekenen. Een en ander laat onverlet dat het ook in dit type studies gangbaar is geworden om het design en de onderzoeksmethoden vooraf ter toetsing voor te leggen aan ethische commissies. De criminoloog die bijvoorbeeld in een gevangenis interviewt of minderjarigen enquêtes afneemt, ontkomt er niet aan om het onderzoeksvoorstel door een ethische commissie te laten beoordelen en zal, bij goedkeuring, strikte richtlijnen dienen te volgen. Los van deze controle kunnen uitgevers verlangen dat auteurs zich houden aan nog weer aanvullende richtlijnen. Doen zij dat niet, dan wordt publicatie geweigerd. Amerikaanse en Engelse collega’s hebben al langere tijd hiermee te maken. Wie ze ernaar vraagt, krijgt te horen dat zo’n ethische verankering extra inspanningen vergt en een fikse administratie oplevert die eerder draait om de aansprakelijkheid van de universiteit of betrokken instantie dan om het welbevinden van informanten. Dit ethisch reveil heeft zo zwaar ingegrepen, dat etnografisch onderzoek in die landen nog maar sporadisch wordt uitgevoerd. In het verslag van het interview met Shadd Maruna, dat in de rubriek Significant others van dit nummer wordt weergegeven, wordt uitgebreid op deze thematiek ingegaan.
      Ondanks de aanwezigheid van gedragscodes, richtlijnen en andere protocollen is er nog steeds ruimte voor een normatieve discussie over de rol die onderzoekers in het veld kunnen en moeten innemen. Naast ethische aspecten gaat het onder wetenschappers dan over ‘reflexivity’ en ‘positionality’, ofwel over de vraag in welke verhouding de onderzoeker zich bevindt tot degenen die hij onderzoekt. Kan en mag je bijvoorbeeld spreken over of namens mensen die qua etniciteit, gender en klasse van je verschillen en die, onder andere waar het gaat om macht, zich in een heel andere positie bevinden? Zo deed Alice Goffman zes jaar lang etnografisch onderzoek in een achterbuurt van West Philadelphia en schreef zij een indringend boek over het leven van jonge zwarte mannen die vooral bezig zijn gevangenisstraf te ontwijken (Goffman, 2014). Zij kwam zeer dichtbij, maar haar onderzoek oogstte behalve waardering ook zware kritiek. Het werd Goffman verweten dat door de geringe afstand haar observeren te veel participeren was geworden. Daarnaast schreef zij als witte vrouw over zwarte mannen wier positie zij volgens haar criticasters nooit goed zou kunnen bevatten. Er ontbrandde een discussie die velen verontrustte en de echo ervan klonk door tot in Amerikaanse dagbladen (o.a. Kotlowitz, 2014; Lewis-Kraus, 2016).
      De casus van Goffman speelt zich af in Amerika en kent, voor zover wij weten, geen Nederlandse of Belgische gelijke. Toch is ook hier te lande een kentering merkbaar. Onderzoekers krijgen in toenemende mate te maken met mensen die geen pottenkijkers willen en die niet onderzocht willen worden, bijvoorbeeld omdat ze twijfelen aan de onpartijdigheid en waardenvrijheid van wetenschappers. Of omdat ze, zoals recentelijk in een reportage in de Volkskrant werd vastgesteld over de teruglopende bereidheid onder leden van de Afrikaanderwijk Coöperatie in Rotterdam om deel te nemen aan sociaalwetenschappelijk onderzoek, overvoerd worden met verzoeken om participatie en daarvoor onvoldoende worden gecompenseerd – zowel in termen van een vergoeding als van meer betrokkenheid bij de opzet, uitvoering en terugkoppeling van het onderzoek.3x Margriet Oostveen, Ze zijn wel genoeg onderzocht, de Volkskrant 21 oktober 2023.
      Daar komt nog bij dat in het huidige tijdsgewricht resultaten van onderzoek meer dan eens in twijfel worden getrokken en de voorbije coronapandemie heeft dat sentiment vergroot. Dit kan worden versterkt door de manier waarop wetenschappers het veld betreden. Ze gaan recht op hun doel af en gebruiken informed consent als een schild waarop aansprakelijkheid afketst en dat de onderzochten rechtsbescherming biedt. Misschien worden deze doelen behaald, maar in het veld kunnen formele regels die van buiten komen een tegenovergesteld effect hebben. ‘Ik ga helemaal niks ondertekenen.’
      Resumerend kan worden gesteld dat de mogelijkheden om veldwerk te verrichten vanwege een aantal hierboven genoemde maatschappelijke omstandigheden steeds verder zijn ingeperkt. Bovendien is het doen van onderzoek een steeds verder dichtgetimmerde operatie geworden die de bewegingsvrijheid van onderzoekers in het veld flink beperkt. Procedures en protocollen moeten ertoe leiden dat zij in hun rol blijven, formeel handelen en afstand houden. Dat deze regels onderzoekers parten kunnen spelen en hun werk bepaald niet vergemakkelijken, vertaalt zich ook naar het feit dat het steeds ingewikkelder is om financiering voor veldonderzoek te krijgen. Afstand mag de standaard lijken, want het groeiend aantal richtlijnen dat men introduceert onderstreept dat in toenemende mate. Toch zijn er nog steeds onderzoekers die dichtbij willen komen.

    • 3 Dichtbij, waarom?

      Bronislav Malinowski wierp begin vorige eeuw een steen in de vijver van de antropologie toen hij besloot af te wijken van de gangbare manier van werken. De ‘armchair anthropologist’, die weliswaar afreisde naar het verre land om een bijzondere stam of onbekend volk te bestuderen, deed dat op veilige afstand en koesterde een luxepositie aan de rand van de gemeenschap. Voor Malinowski was dat niet genoeg. Om te kunnen achterhalen wat dingen betekenen en welke impact ze hebben op mensen in het veld, wilde hij zelf het leven leiden van degenen die hij onderzocht. Hij koos er bewust voor de klassieke positie te verlaten en verzamelde data terwijl hij verbleef te midden van de bewoners op de Trobriand-eilanden (Malinowski, 1922). Afstand nemen deed deze antropoloog door dataverzameling af te sluiten, het veld te verlaten, op de boot te stappen en naar huis terug te keren.
      Etnografie is een onderzoeksstrategie die zijn oorsprong vindt in de antropologie. Vanaf het moment dat Malinowski participerende observatie introduceerde, is het vakgebied avontuurlijker geworden en tot op de dag van vandaag betekent dataverzameling ‘in het veld’ dat de onderzoeker zijn academische burcht verlaat om veel tijd door te brengen te midden van degenen die hij bestudeert.
      Niet veel later werd door Robert Park, leidsman van de Chicago School, een soortgelijke visie uitgedragen (Bovenkerk, 2010: 51; Treadwell, 2020: 19). Niet de verre jungle of savanne, maar de straat werd ‘het veld’ waar de onderzoeker zich moest gaan bewegen om interessante data te kunnen verzamelen over groepen die zich ophielden in de rafelranden van de snelgroeiende stad. De achterbuurt (Suttles, 1968) met de hosselaars (Polsky, 1967), de gangs (Thrasher, 1929) en de mannen op de straathoek (Whyte, 1943; Liebow, 1967) werden onderwerp van onderzoek.
      De wortels van de biografie liggen niet bij de antropologie, maar eerder is er een verband met literatuur en het werk van geschiedkundigen. Van belangrijke politici of grote kunstenaars wordt na hun dood een biografie geschreven om te laten zien hoe hun bijzondere werk tot stand is gekomen en hoe dat past in de context van tijd en plaats. Ook hier kwam een impuls vanuit de Chicago School en werd een nieuwe richting ingeslagen. Toen ‘The Hobo’ (Anderson, 1923), ‘The Jack-Roller’ (Shaw, 1930), ‘The Professional Thief’ (Sutherland, 1937) en ‘The Professional ­Fence’ (Klockars, 1974) het licht zagen, koos men ervoor om in sociologische studies van de stedelijke rafelrand expliciet ook het individu als object van onderzoek te bestempelen. Belangrijk verschil met het werk van historici is dat het hier niet gaat om postume aandacht voor belangrijke personen, maar om geautoriseerde biografieën waar de gewone man als levende hoofdpersoon zelf aan meewerkt.
      Observeren en interviewen, methoden die bij etnografie een centrale plek hebben, spelen een marginale rol bij het verzamelen van data door historici, omdat zij vooral met geschreven bronnen werken. Criminologen daarentegen bedienen zich juist wel van deze sociaalwetenschappelijke methoden en in de voetsporen van de Chicago School vertoont de dataverzameling voor de criminologische biografie veel overeenkomsten met etnografie (Van Gemert, 2012, 2016). We hebben het dan over biografie als het eindproduct van onderzoek, niet als bronnenmateriaal voor studie (vgl. Morgan, 1999; Nellis, 2002; Shover, 2010).
      Veel navolging heeft dit niet gekregen, maar af en toe is er een opleving. Zo kwam in 2007, ter ere van de honderdjarige geboortedag van Stanley, de hoofdpersoon van Shaw’s Jack-roller, een special issue van Theoretical Criminology uit met de titel ‘N=1’. Nadere bestudering van het originele materiaal van Shaw (1930) en zijn opvolger Snodgrass, die The Jack-roller at 70 schreef (Snodgrass, 1982), wordt daarin gebruikt om opnieuw belangstelling te wekken voor de criminologische casestudy van het individu. Wat er omgaat ‘inside the criminal mind’ lijkt voorbehouden aan literatuur of films, want de samenstellers van dat themanummer stellen vast dat in de mainstream criminologie het individu wordt gereduceerd tot ‘a sort of “stick ­figure” of the over-socialized individual or rational actor’ (Maruna & Matravers, 2007: 430). Als uitweg en om de afstand naar die hoofdpersoon te overbruggen, wordt ‘empathetic creativity’ aanbevolen.
      Hier komt ook een link met de culturele criminologie aan de oppervlakte. In een van de vroege publicaties van deze stroming heeft Jeff Ferrell het over Criminological Verstehen en spreekt hij van ‘the immediacy of crime’ (Ferrell, 1997). Hij verbindt dat met het concept ‘voorgrond’, zoals Jack Katz dat hanteerde in zijn beroemde boek Seductions of Crime (Katz 1988) en hamert op de noodzaak voor de onderzoeker om ter plekke ‘affectively present’ te zijn, daar waar het gebeurt. Natuurlijk zijn er variabelen op de achtergrond die van belang zijn om crimineel gedrag te kunnen duiden, maar ‘the manufacture of meaning’ die gekoppeld is aan het moment verdient een belangrijke plaats en mainstream criminologie gaat daar goeddeels aan voorbij. Het draait om mensen van vlees en bloed en criminaliteit is niet een ver en vreemd verschijnsel, maar iets dat zich in het hier en nu afspeelt. Edgework, crimes of passion, allerlei situaties die heftige emoties opwekken en die variëren van vernedering tot trots, het zijn elementen die criminaliteit kleur geven, invoelbaar maken en boven kille cijfers uittillen. Er bestaat vanuit de culturele criminologie dan ook veel belangstelling voor etnografisch onderzoek en de Chicago School wordt niet toevallig genoemd als een van de pijlers van de stroming. Net als Robert Park is Ferrell ervan doordrongen dat onderzoekers het veld in moeten, de straat op, en dat zij de afstand tot de mensen die zij onderzoeken klein moeten maken.

    • 4 Dichtbij, hoe?

      Data verzamelen in de natuurlijke setting impliceert niet automatisch dat de onderzoeker in de positie terechtkomt waarin hij alles kan zien, horen en meemaken wat er gebeurt. Toegang betekent ook het overschrijden van sociale grenzen, met als gevolg dat men hem kan zien als een buitenstaander. Als wat de aanwezigen doen het daglicht niet verdraagt of als zij om andere redenen niet willen dat een vreemde er getuige van is, dan is de onderzoeker een stoorzender. Men mijdt hem, ontzegt hem de toegang. Dat kan met uitleg in woorden, maar hij kan ook genegeerd worden of voor een gesloten deur komen te staan.
      Er is geen universele strategie om binnen te komen, de onderzoeker zal alert moeten zijn om te kunnen inhaken op gelegenheden die zich aandienen. De literatuur biedt talloze voorbeelden: het zoeken van een gatekeeper, het aanbieden van diensten, het ondergaan van een test, formele initiatie en wat al niet meer. De bijdragen in dit themanummer zullen daar nieuwe strategieën aan toevoegen, maar ook die zijn maatwerk dat ter plekke is bedacht en vervolgens weer werd aangepast als dat nodig bleek. Toegang krijgen tot het veld kan zeer stressvol zijn en soms lukt het niet.
      Met toegang is het niet gedaan. Het gaat de onderzoeker er vervolgens om relaties aan te knopen met mensen. Hij wil ze leren kennen, zien en horen hoe ze hun alledaagse leven leiden en, als het kan, net als Malinowski, dat leven ook zelf ervaren. Contact en relaties zijn echter niet vanzelfsprekend, want er zijn veel verschillen die overbrugd moeten worden. Een hoogopgeleide onderzoeker heeft in de meeste gevallen een andere achtergrond dan degenen die hij wil onderzoeken, hij komt van een andere plek, spreekt een andere taal, draagt andere kleding, enzovoort. Volledig wegmoffelen van die verschillen is ondoenlijk en in het veld weet men toch wel dat hij een vreemde is, maar van de andere kant kan moedwillig niet aanpassen worden ervaren als brutaliteit of lompheid.
      Een hele reeks handboeken biedt een rijke schakering aan voorbeelden met obstakels en oplossingen voor het uitvoeren van etnografisch onderzoek in zowel het verre buitenland als de westerse stad (Shaffir et al., 1980; Shaffir & Stebbins, 1991; Emmerson, Fretz & Shaw, 1995; Smith & Kornblum, 1996; Miller & Tewksbury, 2001; Wolcott, 2005). Er verschenen handboeken die volledig zijn gewijd aan etnografie of veldwerk (Fetterman, 1989; Hobbs & Wright, 2006; Hammersley & Atkinson, 2019) en er kwamen bundels die expliciet keken naar onderzoek in de stad of naar ‘de straat’ (Weppner, 1977). Criminologie is in eerste aanleg gekoppeld aan onderzoek in de stedelijke omgeving en handboeken over de methoden van criminologisch onderzoek bespreken vooral die setting (Hagan, 1993; Decorte & Zaitch, 2016). Inmiddels zijn er ook handboeken die, nog specifieker, ingaan op etnografie binnen de criminologie (Treadwell, 2020) en er verschijnen bundels die ervaringen van etnografen in het criminologische veld naar voren brengen (Rice & Maltz, 2018; Breuls & Bougrine, 2022).
      Omdat etnografie is gericht op groepen, komen een-op-eenrelaties met een enkele hoofdpersoon in deze literatuur niet altijd ter sprake. Als een van de uitzonderingen kan ‘Doc’ genoemd worden, die voor William Foote Whyte deuren opende tijdens zijn studie in de Italiaanse achterbuurt van Boston en die in zijn boek vaak naar voren komt (Whyte, 1943).
      Om de een-op-eenrelatie te bespreken kan een vergelijking met journalisten zinvol zijn. Omwille van het argument ontdoen we die vergelijking van grijstinten. We hebben het dus niet over het werk van onderzoeksjournalisten die zich langdurig in een onderwerp of subject vastbijten, maar over het gros van hun collega’s die voor het dagelijkse nieuws of een achtergrondreportage in het veld verblijven zolang dat functioneel is om feiten te checken of een verhaal op te tekenen.
      Dit type journalisten dat een verhaal komt halen bouwt als regel niet een relatie op met de mensen over wie ze berichten. Onderzoekers, zoals degenen in dit themanummer, hebben een andere positie en andere werkwijze. Zij hoeven niet de krant te halen om wantoestanden bloot te leggen of daders op te sporen. Ze trekken meer tijd uit voor verblijf in het veld en bouwen een relatie op met de hoofdpersoon. Hier speelt vertrouwen een belangrijke rol.
      Het klikt niet met iedereen en het kan een tijd duren voor een band ontstaat. Als regel is er niet één moment waarop dat gebeurt en vertrouwen is niet primair de uitkomst van een bewuste beslissing, het moet groeien. Zeker mensen die de wet hebben overtreden en ogen op zich gericht weten zijn er niet scheutig mee. De hoofdpersoon met wie de criminoloog in het veld een band wil opbouwen, is eerder wantrouwend en gereserveerd dan dat hij de wetenschapper onbevooroordeeld verwelkomt. Vertrouwen is in deze context de uitkomst van gedeelde ervaringen en van sensorische waarneming, intuïtie en mensenkennis. Horecapersoneel, marktkooplui en ook criminelen zijn in staat de ander te ‘lezen’ en ze zijn daarin (beroepshalve of noodgedwongen) erg bedreven. Vertrouwen is voor hen bijna letterlijk een kwestie van aanvoelen (Van Gemert, 2017). Dit aanvoelen is alleen mogelijk als de afstand tussen beiden gering is.
      Vertrouwen moet natuurlijk aan beide zijden van de relatie bestaan. De onderzoeker mag niet naïef zijn en hij zal niet met iedereen intense samenwerking willen opbouwen. Wetenschapper als hij is, zal hij op basis van argumenten zijn weg zoeken. Toch zal ook hij meer dan enkel zijn ratio gebruiken en komt het in belangrijke mate aan op empathisch vermogen en emotionele betrokkenheid. Geelhoed et al. (2023) bespreken in een recente bijdrage de emotionele uitdagingen die een onderzoeker te wachten staan bij langdurig etnografisch onderzoek onder mensen die gedreven worden door extremistisch dan wel terroristisch gedachtegoed. De door deze onderzoekers beschreven uitdagingen hebben niet zozeer betrekking op het contact met de respondenten, maar vooral op de veranderingen en het ongemak die de ervaringen van de onderzoeker met zich kunnen brengen in de eigen persoonlijke levenssfeer en denkwereld. Zij wijzen erop dat indringende contacten tussen onderzoekers en hun onderzoekspopulatie er niet zelden toe leiden dat de onderzoeker ook andere aspecten van het leven en de persoonlijkheid van hun respondenten leren kennen dan uitsluitend hun ‘masterstatus’ van ‘extremist’ of ‘terrorist’ (Geelhoed et al., 2023). Die andere kanten van de medaille dwingen de onderzoeker ook tot zelfreflectie en dit proces kan leiden tot een zekere morele ambiguïteit: bepaalde waarden en normen en soms ook eigen gedragingen die lange tijd als vanzelfsprekend werden aanvaard, kunnen als gevolg van de onderzoekservaringen ter discussie worden gesteld. Vooral jonge onderzoekers zouden beter op deze persoonlijke consequenties van het doen van etnografisch onderzoek kunnen worden voorbereid.

    • 5 Wat volgt in dit nummer?

      Dit themanummer gaat over het proces van samenwerking tussen onderzoeker en hoofdpersoon, in het bijzonder over hoe dicht ze elkaar in het veld naderen. Hoewel de bijdragen inzicht bieden in de wijze waarop het contact tussen onderzoeker en hoofdpersoon zich ontwikkelde, is het niet de bedoeling om uitvoerig stil te staan bij alle do’s en don’t’s van dit type onderzoek of collega-onderzoekers tips en tricks aan te reiken (vgl. Breuls & Bougrine, 2022). Het afwegen van de opties, wat onvermijdelijk gepaard gaat met twijfel omdat de uitkomst niet zeker is, is inherent aan dit soort onderzoek. Er zijn geen gebaande paden.
      Frank van Gemert doet verslag van een relatie die meer dan dertien jaar bestaat (Van Gemert, 2011, 2023). Vlak voordat diens biografie in 2011 verscheen pleegde hoofdpersoon Jan een levensdelict, hetgeen Frank totaal verraste. Inmiddels bevindt Jan zich in rustiger vaarwater in een tbs-kliniek, maar de afgelopen jaren waren soms hectisch en de relatie laat zich duiden als een proces van geven, ontvangen en teruggeven.
      Constantine is een wapenhandelaar over wie Yarin Eski een criminologische biografie schreef (Eski, 2022). In zijn bijdrage beschrijft Yarin het proces als een worsteling die hem confronteerde met ambigue gedachten en gevoelens. De morele reserve als gevolg van de professie van Constantine schept afstand, maar het gedeelde gevoel voor humor kon dat overbruggen.
      Een andere zeer lang lopende relatie tussen Robby Roks en hoofdpersoon Jermaine is gerelateerd aan de Crips-gang die geworteld is in een Haagse wijk en waar Robby uitgebreid onderzoek naar deed (o.a. Roks, 2016). Als Jermaine afstand neemt van het actieve gangleven, verandert ook de relatie met de onderzoeker, die zich afvraagt welke rol van hem wordt verlangd. Het eerste contact tussen Robby en Jermaine stamt uit de tijd dat Robby student was.
      Joyce van Dommelen schrijft in haar essay over het onderzoek dat ze uitvoerde tijdens haar studie en daarin komt haar hoofdpersoon Esther ten tonele (Van Dommelen, 2020). Zij leerden elkaar kennen, maar de verschillen in positie tussen de wetenschapper in opleiding en de vrouw die jarenlang op straat leefde, waren enorm. Joyce laat zien dat spiegelen en afstemmen veel geduld verlangen en van twee kanten gebeurt.
      In de rubriek Significant others wordt het verslag weergegeven van een interview dat in juni 2023 via een Zoom-verbinding plaatsvond met Shadd Maruna. Deze in het Verenigd Koninkrijk werkzame Amerikaanse criminoloog, die sinds 2021 tevens voorzitter is van de American Society of Criminology, komt uitgebreid aan het woord over zijn belangstelling en voorliefde voor persoonlijke verhalen en over de wijze waarop die kunnen worden verzameld. In de daaropvolgende boekbespreking wordt op dit thema voortgeborduurd. Het persoonlijke relaas van de antropologe Nastassja Martin over de gevolgen van een gewelddadige ontmoeting met een beer in Kamtsjatka geeft voldoende stof tot nadenken over de positie van de sociaal wetenschapper en diens verhouding tot het object van onderzoek. Tot slot wordt in de rubriek Doka het thema ‘Dichtbij’ gevisualiseerd met een betekenisvolle foto die is gemaakt van een van de hoofdpersonen die in dit nummer wordt opgevoerd.

    • Literatuur
    • Anderson, N. (1923). The Hobo: The Sociology of the Homeless Man. Chicago: University of Chicago Press.

    • Basham, R. (1979). Urban Anthropology; The Cross-Cultural Study of Complex Societies. Palo Alto: Mayfield Publishers.

    • Bovenkerk, F. (2010). Robert Ezra Park. In K. Hayward, S. Maruna & J. Mooney (Eds.), Fifty Key Thinkers in Criminology (pp. 48-53). London: Routledge.

    • Breuls, L. & Bougrine, J. (Red.) (2022). Kwalitatief onderzoek voeren in de praktijk; Tips & tricks voor criminologen en andere sociale wetenschappers. Brussel: Academic & Scientific Publishers.

    • Capote, T. (1965). In Cold Blood. New York: Random House.

    • Decorte, T. & Zaitch, D. (Red.) (2015). Kwalitatieve methoden en technieken in de criminologie. Leuven: Uitgeverij Acco.

    • Dommelen, J. van (2020). Geen slachtoffer meer; Biografie van Esther. Wommelgem: StoryLand.

    • Emmerson, R.M., Fretz, R.I. & Shaw, L.L. (1995). Writing Ethnographic Fieldnotes. Chicago: University of Chicago.

    • Eski, Y. (2022). A Criminological Biography of an Arms Dealer. London: Routledge.

    • Ferrell, J. (1997). Criminological Verstehen: Inside the immediacy of crime. Justice Quarterly, 14(1), 3-23.

    • Fetterman, D.M. (1989). Ethnography step by step. London: Sage.

    • Geelhoed, F., Busher, J., Massé, L. & Pelecijn, L. de (2023, in press). In the discomfort zone: Emotional labour and reflexivity in field research on extremism. Studies in Conflict & Terrorism.

    • Gemert, F. van (2011). Van prison gang tot tbs. Meppel: Just Publishers.

    • Gemert, F. van (2012). Biografie wordt Etnografie; Hoe interviews over het levensverhaal van een boef uitdraaiden op participerende observatie. Kwalon, 17(3), 34-40.

    • Gemert, F. van (2016). Biografie en Levensverhaal. In T. Decorte & D. Zaitch (Red.), Kwalitatieve methoden en technieken in de criminologie (pp. 349-378). Leuven: Uitgeverij Acco.

    • Gemert, F. van (2017). Vertrouwen kun je ruiken. In R. Staring, R. van Swaaningen & K. van Wingerde, Over de muren van stilzwijgen; Liber Amicorum Henk van de Bunt (pp. 87-99). Den Haag: Boom.

    • Gemert, F. van (2023). In tbs; Een kroniek. Meppel: Just Publishers.

    • Goffman, A. (2014). On the Run; Fugitive life in an American City. Chicago: University of Chicago Press.

    • Hagan, F.E. (1993). Research methods in criminal justice and criminology. New York: Macmillan.

    • Hammersley, M. & Atkinson, P. (2019). Ethnography; Principles in Practice (4e ed.). London: Routledge.

    • Hobbs, D. & Wright, R. (2006). The Sage Handbook of Fieldwork. London: Sage.

    • Jaspers, Y. & Christiaens, J. (2022). Wil je (kwalitatief) criminologisch onderzoek doen? Stel deze fundamentele ethische vragen bij het voorbereiden, opzetten en uitvoeren van je onderzoek. In L. Breuls & J. Bougrine (Red.), Kwalitatief onderzoek voeren in de praktijk; Tips & tricks voor criminologen en andere sociale wetenschappers (pp. 105-130). Brussel: Academic & Scientific Publishers.

    • Katz, J. (1988). Seductions of Crime; Moral and Sensual Attractions in Doing Evil. New York: Basic Books.

    • Klockars, C.B. (1974). The professional fence. New York: Free Press.

    • Kotlowitz, A. (2014). Deep Cover: Alice Goffman’s ‘On the Run’. New York Times, June 26, 2014. www.nytimes.com/2014/06/29/books/review/alice-goffmans-on-the-run.html

    • Lewis-Kraus, G. (2016). The Trials of Alice Goffman. New York Times Magazine, January 12, 2016. www.nytimes.com/2016/01/17/magazine/the-trials-of-alice-goffman.html

    • Liebow, E. (1967). Tally’s Corner; A Study of Negro Streetcorner Men. Boston: Little Brown.

    • Malinowski, B. (1922). Argonauts of the Western Pacific. New York: E.P. Dutton.

    • Maruna, S. & Matravers, A. (2007). N=1: Criminology and the person. Theoretical Criminology, 11(4), 427-442.

    • Middelburg, B. (1992). De Dominee; Opkomst en ondergang van maffiabaas Klaas Bruinsma. Amsterdam: L.J. Veen.

    • Miller, J.M. & Tewksbury, R. (2001). Extreme Methods; Innovative Approaches to Social Science Research. Needham Heights: Allyn and Bacon.

    • Morgan, S. (1999). Prison Lives; Critical Issues in Reading Prisoner Autobiography. The Howard Journal, 38(3), 328-340.

    • Nellis, M. (2002). Prose and Cons: Offender Auto/Biographies, Penal Reform and Probation Training. The Howard Journal, 41(5), 434-468.

    • Polsky, N. (1967). Hustlers, beats and others. Chicago: Aldine Publishing.

    • Rice, S.K. & Maltz, M.D. (Eds.). Doing Ethnography in Criminology. Cham: Springer.

    • Roks, R.A. (2016). In de h200d; Een eigentijdse etnografie over de inbedding van criminaliteit en identiteit. Rotterdam: Erasmus University Rotterdam.

    • Shaffir, W.B. & Stebbins, R. (Eds.) (1991). Experiencing Fieldwork; The Inside View of Qualitative Research. London: Sage.

    • Shaffir, W.B., Stebbins, R. & Turowetz, A. (Eds.) (1980). Fieldwork Experience; Qualitative Approaches to Social Research. New York: St. Martin’s Press.

    • Shaw, C. (1930). The Jack Roller. Chicago: University of Chicago Press.

    • Shover, N. (2010). Life histories and autobiographies as ethnographic data. In D. Gadd, S. Karstedt & S. Messner (Eds.). The Sage Handbook of Criminological Research Methods. London: Sage.

    • Smith, C.D. & Kornblum, W. (Eds.) (1996). In the Field; Readings on the Field Research Experience. Westport: Praeger.

    • Snodgrass, J. (Ed.) (1982). The Jack-Roller at Seventy: A Fifty-Year Follow-Up. Lexington, MA: D. C. Heath & Company.

    • Sutherland, E. (1937). The Professional Thief. Chicago: University of Chicago Press.

    • Suttles, G.D. (1968). The Social Order of the Slum; Ethnicity and Territory in the Inner City. Chicago: University of Chicago Press.

    • Treadwell, J. (2020). Criminological Ethnography; An Introduction. London: Sage.

    • Weppner, R.S. (Ed.) (1977). Street Ethnography; Selected Studies of Crime and Drug Use in a Natural Setting. Beverly Hills: Sage Publications.

    • Whyte, W.F. (1943). Street Corner Society. The Social Structure of an Italian Slum. Chicago: University of Chicago Press.

    • Wolcott, H.F. (2005). The art of Fieldwork. Walnut Creek: AltaMira.

    Noten

    • 1 Omdat het in dit type studies meestal over mannelijke hoofdpersonen gaat, worden ten behoeve van de leesbaarheid in dit artikel uitsluitend mannelijke persoonlijke voornaamwoorden gebruikt. Daarmee doen we menig onderzoeker tekort, want in die populatie zijn geslacht en gender steeds minder onderscheidend.

    • 2 Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018. Bij de totstandkoming daarvan waren verschillende overkoepelende organisaties betrokken, zoals o.a. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

    • 3 Margriet Oostveen, Ze zijn wel genoeg onderzocht, de Volkskrant 21 oktober 2023.


Print dit artikel