DOI: 10.5553/TvH/1568654X2022022003003

Tijdschrift voor HerstelrechtAccess_open

Artikel

Herstelrecht inbedden in ‘de gemeenschap’: inspiratie uit niet-westerse samenlevingen

Trefwoorden gemeenschap, transferability debate, Collectieve participatie, reclassering, netwerksamenleving
Auteurs
DOI
Toon volledige grootte
Samenvatting Auteursinformatie Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
Toon van Meijl en Paul Mutsaers. (2022). Herstelrecht inbedden in ‘de gemeenschap’: inspiratie uit niet-westerse samenlevingen. Tijdschrift voor Herstelrecht (22) 3, 11-22.

    In this article, the authors revisit the old debate among legal anthropologists about the role of ‘the community’ in restorative justice. The central question is how conflict resolution as it takes place in small-scale, non-Western societies may offer inspiration for the implementation of restorative justice in contemporary, postmodern network societies. An important insight from this cultural comparison is that collective ways of conflict resolution in non-Western societies contributed greatly to the formation of communities, which have always had a more open character than is generally assumed. Interestingly, however, this resembles the open character of contemporary network societies more than is routinely recognized by those who consider comparison unwise or even impossible. Van Meijl & Mutsears argue that probation services could play a central role in the organisation of the formative function of restorative justice in contemporary societies, but only if it becomes more autonomous from the criminal justice system and its punitive practices. Finally, they emphasize the importance of repairing the moral damage in social relations after criminal acts have taken place, especially for the sake of restoring trust among all participants and parties in society.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      Het beeld van de wetenschap als een accumulatie van kennis, een graduele opbouw van inzichten en de steeds meer verfijnde toepassing ervan, maakt soms plaats voor een ander beeld. Dan zien we een chaotische cirkelbeweging, waarbij vragen die decennia geleden centraal stonden opnieuw worden gesteld, zonder dat daarbij voldoende rekening wordt gehouden met de antwoorden of denkrichtingen van destijds. Wellicht is dit een breder verschijnsel en omvat het de ideeënwereld als geheel. Steeds vaker zien we ideeën als een onvoorspelbare pendule slingeren, dan weer naar links, dan weer naar rechts, naar voren of naar achteren. Dat beeld drong zich aan ons op toen we serieuzer begonnen na te denken over de rol van ‘de gemeenschap’ in herstelrecht. Daarbij staat wat ons betreft de volgende vraag centraal: Bestaat er binnen individualistische rechtssystemen, zoals we die bijvoorbeeld in Nederland kennen, ruimte voor collectieve participatie in herstelrecht? Dit is een belangrijke vraag, omdat velen de wens delen om deze positief te beantwoorden, maar de praktijk blijkt weerbarstiger dan gehoopt (zie bijv. Rosenblatt, 2015). Het is immers niet meteen duidelijk wie ‘de gemeenschap’ zou kunnen vertegenwoordigen.

      De pendule slingert ons een jaar of vijftig terug in de tijd, naar het moment waarop de Amerikaanse rechtsgeleerde Richard Danzig (1973, p. 43) een interessante vraag opwerpt: ‘Despite the differences between a tribal culture and our own, isn’t there a place for a community moot in our judicial system?’ Voordat hij zijn politieke carrière begon – eerst in de Clinton-regering en daarna als adviseur onder Obama – werkte Danzig aan Stanford en Harvard aan onderzoek gericht op de decentralisatie van het Amerikaanse strafrechtsysteem. In één van zijn artikelen zocht hij bijvoorbeeld naar decentrale alternatieven als aanvulling op het reguliere strafrechtsysteem, waarbij hij zich liet inspireren door het model van de Afrikaanse moots, een soort volksvergadering waarin geschilbeslechting plaatsvindt. Hij verwijst daarbij onder andere naar het standaardwerk The Judicial Process among the Barotse of Northern Rhodesia, van de bekende antropoloog Max Gluckman (1955), die rijke beschrijvingen optekende van dergelijke moots in wat nu Zimbabwe heet. Geïnspireerd door dit werk beantwoordde Danzig zijn eigen vraag met een duidelijk ‘ja’ en hij hield daarbij een vurig pleidooi voor de invoering van dergelijke moots in eigen land. In die context voerde hij argumenten aan die sterk lijken op de grondbeginselen van de herstelrechtbeweging die op dat moment aan het ontstaan was. Anders dan reguliere vormen van rechtspraak waren community moots toegankelijker en meer gericht op verzoening, rehabilitatie, integratie en participatie:

      Whereas the court [is] characterized by social distance between judge and litigants, rules of procedures which narrow the issue under discussion, and a resolution which ascribe[s] guilt or innocence to a defendant, the moot emphasize[s] the bonds between the convenor and the disputants, it encourage[s] the widening of discussion so that all tensions and viewpoints psychologically – if not legally – relevant to the issue [are] expressed, and it resolve[s] by consensus about future conduct, rather than by assessing blame retrospectively.’ (Danzig, 1973, p. 42-43).

      Danzig kreeg bijval van antropologen zoals Michael J. Lowy (die moots onderzocht in Ghana) met een eenvoudig argument dat moeilijk te weerleggen is: ‘The use of a moot implies that deviant behavior arises in the context of community social life and can best be treated within it’ (1973, p. 208). Conflicten binnen een gemeenschap worden het beste binnen de contouren van die gemeenschap beslecht. Net als nu was ook toen al het argument dat het passeren van de gemeenschap – de collectieve stakeholder in het conflict – leidt tot allerlei ongewenste effecten: deskilling, rechtsvervreemding, atomisering, eigenrichting, en zo meer. Het toen al groeiende leger aan professionals waar Christie (1977) in die tijd zo sterk tegen ageerde, ontneemt mensen de mogelijkheid om binnen betekenisvolle relaties en groepsverbanden conflicten te beslechten, laat staan dat ze worden ingezet om sociale verandering te bewerkstelligen.

      Hoewel een enkeling de discussie voortzette die door mensen als Danzig en Lowy werd aangezwengeld – we denken hierbij onder meer aan het werk van Sally Engle Merry (bijv. 1992) inzake popular justice in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw – nam de interesse in wat de (rechts)antropologie te bieden heeft op het gebied van alternatieve vormen van rechtspleging snel weer af. Een eventuele rol voor ‘de gemeenschap’ in geschilbeslechting in westerse landen verdween naar de achtergrond onder invloed van het proces van globalisering, dat verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de sociale organisatie van samenlevingen in de hele wereld. Globalisering wordt deels veroorzaakt door revolutionaire veranderingen in informatie- en communicatietechnologie, wat sociale en economische interacties op lokaal, nationaal en mondiaal niveau heeft geïntensiveerd, waardoor de interdependentieketens tussen mensen zijn verlengd en uitgebreid. Het type samenleving dat zich heeft ontwikkeld als gevolg van het globaliseringsproces is door de Spaanse socioloog Manuel Castells (1996) omschreven als een netwerksamenleving, waarin individuele connecties prevaleren boven de rol van gemeenschap. De meer prominente positie van individuele netwerken in hedendaagse samenlevingen is tegelijkertijd versterkt door de introductie van neoliberale hervormingen, die ertoe hebben geleid dat de metafoor van de markt vaak wordt aangehaald voor de sociaal-politieke organisatie van samenlevingen. Een implicatie hiervan is dat individuen streven naar een minimalisering van kosten en een maximalisering van baten, met als gevolg toenemende competitie en afnemende cohesie in de samenleving.

      In deze postmoderne context werd elke vorm van gemeenschapsdenken aanvankelijk al snel verdacht. Ook noties van community of popular justice werden stilzwijgend gelijkgesteld aan groepsdruk, conformisme en ernstige beperkingen van de vrijheden van het individu. De oorspronkelijke gedachte ervan – tegenwicht bieden aan de elitevorming en technocratie binnen reguliere rechtspraktijken – verdween spoedig uit het collectieve geheugen en de aandacht werd gevestigd op de risico’s van willekeur en wetteloosheid. Bovendien was de politieke tijdsgeest er een van Fukuyama’s (1992) geloof in de liberale democratie als evolutionair eindstadium van de mensheid. Wat hadden postmoderne kapitalistische samenlevingen in een mondiale context van globalisering nu te leren van stateloze samenlevingen waarin mensen gevangen waren in het collectief? Wilden we de klok werkelijk terugdraaien? Was dat niet reactionair?

    • 2 Het transferability debate van Willem de Haan

      Het duurde bijna twintig jaar voordat de voorstellen van Danzig en Lowy opnieuw serieus werden bestudeerd, ditmaal door de kritische criminoloog Willem de Haan (1990). De Haan stelde zich de vraag of informele vormen van conflictbeslechting uit niet-westerse gebieden overdraagbaar zijn naar westerse landen. Hij ergerde zich aan het feit dat het debat hierover vroegtijdig was beëindigd. De algemene consensus was dat een dergelijke overdracht onmogelijk en onwenselijk was, een opvatting die De Haan beschouwde als het gevolg van een gebrek aan sociologische verbeeldingskracht. In zijn boek The Politics of Redress: Crime, Punishment, and Penal Abolition (1990) gaat hij uitvoerig in op de ideeën van Danzig betreffende gekozen buurtraden en wijkrechtbanken naar Afrikaans model. Zulke organen zouden naar de overtuiging van De Haan uitstekend kunnen worden geïmplementeerd in een stad als New York, Danzigs werkgebied. Ze zouden het rechtsbewustzijn en de rechtsmobiliteit van burgers ten goede komen, hun eigenaarschap van het conflict vergroten, verantwoordelijkheid teruggeven aan de gemeenschap en deze centraal stellen in relationele herstelwerkzaamheden.

      Critici van deze ideeën bedienden zich van sociale evolutietheorieën om te beargumenteren waarom in hun visie een ‘transfer’ een zinloze exercitie zou zijn. De Haan verwijst in dit verband onder andere naar het werk van William L.F. Felstiner, die in zijn artikel Influences of Social Organization on Dispute Processing (1974) – grofmazig zoals destijds niet ongebruikelijk was – een dichotomie ontwikkelde met technologisch complexe en rijke samenlevingen (TCRS) aan de ene kant van het spectrum en technologisch simpele en arme samenlevingen (TSPS) aan de andere kant. Felstiner noemde het ideaaltypen, maar met de kennis van vandaag zouden we ze eerder als stereotypen bestempelen. De vormen van conflictbeslechting in TSPS, met hun zogeheten multiplex relaties (tussen bekenden) in een context waarin de gemeenschapsgeest belangrijk is, zouden naar zijn overtuiging ongeschikt zijn voor TCRS, waar enkelvoudige relaties (tussen vreemden), roldifferentiatie en specialisatie het onmogelijk maken om tot groepsgerichte preventie of conflictbeslechting over te gaan. Sociologisch gezien zou dit op een regressie neerkomen, waarbij ‘traditionele’ structuren van Gemeinschaft hun herintrede zouden doen in een meer moderne en progressieve Gesellschaft. Dit zou geweld doen aan evolutionaire processen die Felstiner onomkeerbaar en onvermijdelijk achtte.

      De Haan hield er echter een geheel andere visie op na. Hij was van mening dat menselijke vooruitgang een complex en allesbehalve rechtlijnig proces is, en was altijd sensitive to the contradictions and collisions, the unevenness and asynchrony of social change (1990, p. 101). Het moderne strafrechtapparaat met zijn focus op het individu is in deze visie geen noodzakelijke consequentie van ‘vooruitgang’, laat staan een eindstadium. Wat betreft de rol van collectieve participatie in rechts­praktijken stelt hij dat deze evengoed mogelijk is in moderne samenlevingen. Alles welbeschouwd leven ook hier mensen samen in groepen: in families, wijken, scholen, organisaties, geloofsgemeenschappen, online communities, verschillende typen verenigingen en zo meer. Waarom zouden de conflicten die daar ontstaan niet binnen die kaders kunnen worden opgelost?

      De relevantie of misschien zelfs urgentie van deze vraag werd ons opnieuw duidelijk bij het lezen van de column van Willem van der Brugge (2019) in dit tijdschrift (2019, afl. 2). Hij schrijft daarin over een recent werkbezoek aan de Tsjechische reclasseringsdienst, waar een mediator hem een casus presenteerde. In de casus figureren twee minderjarige daders die zich schuldig hadden gemaakt aan het stelstelmatig pesten van een leeftijdgenoot in hetzelfde appartementencomplex. Dit had grote opschudding veroorzaakt onder medebewoners en politieoptreden zelfs noodzakelijk gemaakt. Daders, slachtoffers en hun families werden betrokken in een mediation, waarbij ook ingezet werd op zorg voor de jonge daders. ‘Ook deze jongens moeten weer door met hun leven en daarbij wonen ze allemaal in hetzelfde appartementencomplex’, verklaarde de reclasseringswerker wijs (ibid., 3). Tijdens alle fasen van de bemiddeling werd contact onderhouden met de wijkagent en medebewoners. Deze casus laat er geen misverstand over bestaan dat mensen altijd en overal samenleven met elkaar en dat de sociale structuren waarin ze dat doen – hoe veranderlijk ze ook mogen zijn – kansen bieden om conflicten duurzaam te beslechten binnen ‘de gemeenschap’ waarin ze zijn ontstaan.

    • 3 Collectieve participatie in herstelrecht

      Het is niet zo dat Felstiner geen zinnige dingen te zeggen had. In de sociale wetenschappen, inclusief de culturele antropologie, bestaat er consensus over het uitgangspunt dat de wijze waarop mensen sociaal en cultureel zijn georganiseerd van invloed is op de concrete mechanismen van sociale controle die zij ontwikkelen, zoals de wijze waarop conflicten worden beslecht. Ook staat buiten kijf dat daarin wereldwijd aanmerkelijke variatie bestaat. Tevens volgen we zijn redenering dat bepaalde modellen of mechanismen niet een-op-een getransporteerd kunnen worden van locatie A naar locatie B. Dat hij zich keert tegen Danzigs voorstel om de moots van de Kpelle uit Liberia vrijwel rechtstreeks over te nemen, is dan ook begrijpelijk. Een dergelijk voorstel houdt geen rekening met de sociale wortels van menselijk gedrag en het bijzondere karakter van sociale instituties. De positie van een Kpelle mediator is fundamenteel anders dan die van een ambtenaar met een salaris in New York. Bovendien zullen de specifieke verwantschapsnetwerken, geloofsovertuigingen, rituelen en gewoonten die verweven zijn met het Liberiaanse rechtssysteem ontbreken in de Amerikaanse metropool.

      Toch wil dit naar onze overtuiging niet zeggen dat deze moots geen inspiratie kunnen bieden voor discussies over de invoering en uitbreiding van herstelrecht in westerse samenlevingen, laat staan dat ze kunnen worden gediskwalificeerd omdat ze minder geavanceerd zouden zijn, of zelfs, in de taal uit het koloniale tijdperk, ‘primitief’ – zie Kuper (1988) voor een vroege kritiek op dergelijke labels. De tijd dat ‘zij’ alleen kunnen leren van ‘ons’, maar nooit andersom is echt voorbij, niet in de laatste plaats vanwege het debat over dekolonisering, waarin westerse samenlevingen een spiegel wordt voorgehouden, waardoor het besef groeiende is dat modernisering niet automatisch vooruitgang betekent. In dit discours staan uitdagende concepten als undoing, degrowth, unthinking, abolition en deconstruction centraal, die alle voortkomen uit het inzicht dat het besluit tot omkeren na het inslaan van een verkeerde weg geen kwestie is van regressie of achteruitgang, maar van gezond verstand.

      Dat de punitieve logica die ten grondslag ligt aan veel strafrechtsystemen in westerse samenlevingen, en de vervreemdende werking die ervan uitgaat, een goed voorbeeld is van zo’n verkeerde weg, behoeft in dit tijdschrift geen betoog. Door globalisering en de opkomst van neoliberaal denken is de relatie tussen overheid en burgers fundamenteel veranderd. De overheid is kleiner geworden en daardoor op grotere afstand van burgers komen te staan. Als gevolg daarvan is ook de verticale relatie tussen overheid en verdachten in het beklaagdenbankje in de rechtszaal meer onder druk komen te staan. In toenemende mate worden er vanuit de samenleving verzoeken gericht om een meer actieve bijdrage te kunnen leveren aan de beslechting van geschillen, hetgeen een meer horizontale relatie tussen overheid, daders, verdachten en andere betrokkenen en belanghebbenden impliceert (Claessen & Van Hoek, 2022, p. 54). Tegen deze achtergrond mag de toenemende aandacht voor de introductie en uitbreiding van herstelrecht niet verwonderlijk zijn. Daarbij wordt als vanzelfsprekend inspiratie geput uit inheemse rechtssystemen, waarin de samenleving als geheel een grotere en meer actieve rol speelt. Het is dan ook niet nodig om op dit platform een algemeen pleidooi te houden voor herstelrecht.

      Tegelijkertijd is het van groot belang om de meer specifieke vraag te stellen welke rol ‘de gemeenschap’ kan spelen in een geïndividualiseerd rechtssysteem zoals we dat in Nederland kennen. Daaraan voorafgaand moeten we echter ook nog de meer fundamentele vraag stellen wie er in de praktijk kan optreden namens ‘de gemeenschap’? Of beter nog: wie vormt ‘de gemeenschap’? We lezen vaak in de herstelrechtliteratuur dat er aanbevelingen worden gedaan om ‘de gemeenschap’ te betrekken bij bepaalde initiatieven (bijv. herstelconferenties), maar in de huidige netwerksamenleving, waarin een gebrek aan cohesie als een belangrijk probleem wordt gezien, ligt het niet meer voor de hand hoe de ‘gemeenschap’ moet worden omschreven of hoe representatieve vertegenwoordigers daarvan kunnen worden geïdentificeerd. Het is zelfs lang niet altijd duidelijk of er sprake is van relevante gemeenschapsbanden, welke dat dan zijn en of deze betekenis hebben voor de herstelrechtzaak in kwestie. Dat mensen altijd samenleven in bepaalde sociale structuren, zoals we hierboven stelden, wil nog niet zeggen dat ze zich bewust zijn van die structuren, noch dat deze per definitie een positieve en constructieve invloed kunnen hebben op geschilbeslechting.

    • 4 De rol van de ‘gemeenschap’

      De weerbarstigheid van het begrip ‘gemeenschap’ in discussies over herstelrecht wordt begrijpelijker wanneer we discussies over deze term binnen de sociologie raadplegen. Het begrip behoort tot de sleutelbegrippen in deze sociale wetenschappen sinds begin twintigste eeuw. De Franse grondlegger van de sociologie Durkheim en zijn Duitse collega Tönnies creëerden onafhankelijk van elkaar een parallel contrast tussen de rol van gemeenschap in meer collectieve, niet-westerse samenlevingen en de meer individualistische samenlevingen in het Westen (Giddens, 1971, p. 70-81). De veronderstelling van een meer nauwe integratie van sociale relaties in zogenaamd ‘premoderne’ samenlevingen was ook fundamenteel voor de Britse en Amerikaanse sociologie. Zo werd ‘de gemeenschap’ een klassiek begrip in de sociologie en antropologie, waarbij het dorp vaak als uitgangspunt werd genomen voor empirisch onderzoek. Toen het begrip echter aan populariteit won, werd de onnauwkeurigheid ervan ook steeds duidelijker. Dit bracht de Amerikaanse socioloog George Hillery jr. (1955) ertoe om 94 sociologische definities van het begrip ‘gemeenschap’ te onderwerpen aan een kwalitatieve en kwantitatieve analyse. Hij identificeerde 16 verschillende soorten definities van het concept ‘gemeenschap’ binnen de steekproef en vond slechts 1 concept dat gebruikelijk was onder alle definities: ze hadden allemaal te maken met mensen (Hillery, 1955, p. 117). De verwarring werd er natuurlijk niet minder om, ook al bevatten de meeste studies wel andere punten van overeenkomst; 69 van de 94 waren het erover eens dat een gemeenschap moet worden opgevat als een groep mensen die ten minste een deel van de tijd in een gemeenschappelijk territorium wonen, die sociale interactie delen en die één of meer aanvullende gemeenschappelijke banden hebben (Hillery, 1955, p. 118; zie ook Hillery, 1959).

      De sociaalwetenschappelijke onduidelijkheid over de precieze contouren van ‘de gemeenschap’ moeten we niet zien als een onoverkomelijk probleem, zeker niet in postmoderne netwerksamenlevingen, want het biedt ook kansen om recht te doen aan het flexibele en dynamische karakter van sociale netwerken waarin gemeenschapsbanden worden vormgegeven. In die context lijkt het ons cruciaal om het concept ‘de gemeenschap’ niet langer te reïficeren, want ‘de gemeenschap’ bestaat niet als een onveranderlijke eenheid. Een nieuw perspectief op gemeenschapsbanden in sociale netwerksamenlevingen brengt voor het herstelrecht in Nederland daarom ook een veel actievere rol met zich in de ontwikkeling, vorming en bestendiging van – nieuwe – gemeenschapsbanden. Wanneer we herstelrechtinitiatieven enkel beschouwen als volgend in plaats van ook vormend, dan verliezen ze de kracht om veranderingen te bewerkstelligen die ze krijgen toegedicht in de internationale literatuur hierover. Lezen we bijvoorbeeld het Routledge International Handbook of Restorative Justice, dan vinden we inspirerende uitspraken als ‘the concept of “social capital” is generally invoked to refer to the rebuilding of community connections and community functions that have atrophied in modern societies’ (Boyes­Watson, 2019, p. 15) of ‘restorative justice [can] open up spaces for reinventing social relationships’ (Maglione, 2019, p. 26). In de introductie van het boek Listening to the Movement stellen de redacteuren zelfs het volgende:In our biggest hope for what it can be, restorative justice is an alternative paradigm to build community’ (Shah & Stauffer, 2021, p. xvi).

      Vooral het woord ‘geatrofieerd’ is een belangrijke term in dit verband, omdat het, geleend uit de medische wereld, zoveel betekent als dunner worden of aan kracht verliezen. Het is precies die uitdunning van voorheen meer afgebakende en samenhangende gemeenschappen die aandacht verdient in het herstelrecht, willen we het meer laten zijn dan de transformatie van betrokken individuen en ervoor zorgen dat er maatschappelijke impact kan worden gerealiseerd. Dat gezegd hebbende kunnen we wellicht een eerste les trekken uit de moots. Als belangrijk onderdeel van veel Afrikaanse rechtsculturen zijn moots niet alleen een weerspiegeling van lokale gemeenschappen. Ze dragen ook actief bij aan de vorming ervan.

      We denken bijvoorbeeld aan Suriname, waar moot-achtige structuren, die daar krutu worden genoemd, werden geïntroduceerd door de marrons in de vroegmoderne tijd (zie ook 2020, afl. /2 en 2021, afl. 1 van dit tijdschrift). Deze totslaafgemaakte Afrikanen waren gevlucht van de plantages aan de rivieroevers en ontwikkelden gecreoliseerde cultuurvormen in de binnenlanden, waarbij elementen van de oude en nieuwe wereld werden gecombineerd maar het contrast met de Europese plantagecultuur zo scherp mogelijk moest zijn. Een belangrijk onderdeel van dat contrast was de rechtspraak. Het rechteloze bestaan van totslaafgemaakten op de plantages kon niet sterker verschillen van de rechtsculturen die door de marrons werden ontwikkeld, waarover we nu spreken als herstelrecht avant la lettre. De participatieve en groepsgerichte rechtspleging die in ontwikkeling kwam, was erop gericht om mensen met allerlei etnische achtergronden bij elkaar te houden, de vrede te bewaren en de gemeenschap te laten functioneren, wat geen gemakkelijke opdracht was in het vijandige klimaat van toen.

      Aan de andere kant van de wereld biedt ook de introductie van restorative justice in Nieuw-Zeeland inspiratie. Aldaar is herstelrecht enkele decennia geleden geïntroduceerd om de relatie met de inheemse bevolking, de Māori, te repareren. Deze zijn in de loop van de koloniale geschiedenis grotendeels van hun land onteigend en daarna zo gemarginaliseerd geraakt, dat disproportioneel slechte scores in criminaliteitsstatistieken doorgaans in verband worden gebracht met ontworteling en vervreemding. De vorm waarin restorative justice wordt toegepast in Nieuw-Zee­land is geïnspireerd op de wijze waarop geschilbeslechting in het verleden plaatsvond in de Māori samenleving. Daarbij speelden de extended families van dader en slachtoffer, alsmede hun wijdere tribale netwerken, een doorslaggevende rol. Hoewel ook deze als gevolg van de koloniale geschiedenis en de daarmee samenhangende urbanisering zijn gedesintegreerd of in veel gevallen naar de achtergrond zijn geschoven, worden ze recentelijk in toenemende mate betrokken bij het herstellen van relaties tussen dader en slachtoffer. In die context hebben tribale netwerken en familieverbanden opnieuw aan betekenis gewonnen (Van Meijl, 2022). Zij zijn niet alleen direct en intensief betrokken bij het herstellen van relaties die als gevolg van strafbare feiten zijn beschadigd, maar ze adviseren ook over noodzakelijk geachte strafmaatregelen. De overheid speelt nog altijd een doorslaggevende rol in het bepalen en tenuitvoerleggen van de straf, maar stelt zich doorgaans terughoudend op. Een bemiddelende rol is weggelegd voor reclasseringswerkers die niet alleen bekend zijn met sociale situaties, maar idealiter afkomstig zijn uit de betrokken gemeenschap (deze keer niet tussen aanhalingstekens).

    • 5 Coördinatie door de reclassering

      Zoals gezegd zijn wij van mening dat een vergelijking met niet-westerse methoden van geschillenbeslechting inspiratie kan bieden voor de discussie over de wijze waarop herstelrecht beter kan worden ingebed in samenlevingen waarin relatief gesloten gemeenschappen hebben plaatsgemaakt voor meervoudige sociale netwerken met een open, vaak ook translokaal karakter. In deze context stellen wij voor om na te denken, analoog aan de gangbare praktijk in Nieuw-Zeeland en Schotland (cf. Kirkwood & Hamad, 2019), over de rol die de reclassering kan spelen in het invoeren van herstelrecht door het per geval in kaart brengen van de sociale netwerken waarin dader en slachtoffer zijn ingebed en deze vervolgens intensief te betrekken bij het proces van geschilbeslechting. Op die wijze zou de reclassering een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de vorming dan wel versterking van meer inclusieve sociale netwerken (i.p.v. ‘gemeenschappen’) op lokaal en regionaal niveau.

      Ondanks het feit dat de reclassering ook reeds nu een belangrijke rol speelt in de uitvoering van meer herstelgerichte straffen (bijv. taakstraffen), ligt het misschien niet voor iedereen voor de hand om de reclassering een grotere rol te geven in de uitvoering van herstelrechtelijke procedures, omdat deze dienst direct wordt geassocieerd met de rechtspraak. Het behoort immers ook tot de primaire taak van reclasseringsambtenaren om rechters, officieren van justitie en gevangenisdirecteuren te adviseren over verdachten en gedetineerden. Om die reden zijn zij voor mensen die met politie en justitie in aanraking komen niet de eersten aan wie wordt gedacht om beschadigde relaties te herstellen. Vanwege de hierboven gesignaleerde veranderingen in sociale relaties en de sociale organisatie van samenlevingen als geheel is het echter noodzakelijk geworden om ‘de gemeenschap’ telkenmale opnieuw te operationaliseren in de vorm van sociale netwerken: wie behoort bij de uitvoering van herstelrechtelijke procedures betrokken te worden en waarom? Wij denken dat de reclassering hier een belangrijke rol in zou kunnen spelen, omdat deze dienst in de praktijk al het beste zicht heeft op en ook al een grote rol speelt in het modereren van de sociale netwerken van betrokkenen. Ook denken wij dat deze belangrijke publieke taak moet worden vervuld door een overheidsinstantie, en niet door particuliere mediationbureaus. Het lijkt ons wel wenselijk om de reclasseringsdienst institutioneel anders in te kaderen en deze los te weken van politie, justitie en de strafrechtspraak door de organisatie een meer onafhankelijke positie toe te kennen. Alleen dan zou de reclassering het vertrouwen kunnen krijgen om de coördinatie ter hand te nemen van het in kaart brengen van de sociale netwerken rondom dader, slachtoffer en de wijdere gemeenschappen om vervolgens het herstel tussen betrokken partijen te faciliteren.

      Een spilfunctie voor de reclassering bij het uitvoeren van herstelrecht betekent ook een verschuiving van aandacht voor sociale re-integratie naar morele reparatie van relaties vanaf het allereerste begin. In de huidige praktijk gaat de aandacht van de reclassering vooral uit naar het creëren van structurele voorwaarden voor een succesvolle re-integratie van daders nadat hun straf ten einde loopt, zoals huisvesting en werk. Meer aandacht voor herstelrecht brengt echter een verbreding van dit smalle perspectief met zich mee door het sociale netwerk van een dader vanaf het begin van een gerechtelijke procedure te relateren aan het sociale netwerk van een slachtoffer en de wijdere samenleving. Door slachtoffer en verwante sociale netwerken van meet af aan te betrekken bij het zoeken naar een oplossing van een conflict wordt tegelijkertijd de aandacht gevestigd op de noodzaak om ook de morele dimensie van een conflict te repareren. In de meeste gevallen is een conflict dat leidt tot een vergrijp of misdrijf immers geen particuliere aangelegenheid tussen twee of enkele individuen, maar worden ook de sociale netwerken van dader en slachtoffer direct dan wel indirect beïnvloed.

      Rest ons de vraag hoe de reclassering in de praktijk vorm kan geven aan de wens om ook de morele schade te repareren in alle betrokken ‘gemeenschappen’, of beter: sociale netwerken. De Schotse criminologen Kirkwood en Hamad (2019) hebben een duidelijke voorzet gegeven voor een concreet antwoord op deze ingewikkelde vraag. Zij leggen uit dat de morele schade van een vergrijp of conflict eerst moet worden gerepareerd bij een slachtoffer, die niet alleen recht heeft op verontschuldigingen en wellicht zelfs een schadevergoeding, maar bij wie ook het vertrouwen in de samenleving moet worden hersteld. Vanzelfsprekend is dit vaak pas mogelijk nadat er zelfherstel van de dader heeft plaatsgevonden (Claessen, 2022, p. 17-18). Vervolgens bestaat er ook een morele verplichting om een dader te begeleiden bij een morele re-integratie in de samenleving. Verder moet worden nagedacht over de sociale netwerken van slachtoffer, dader en de wijdere sociale netwerken waarin deze zijn ingebed (Kirkwood & Hamad, 2019, p. 406). Daarbij moet in eerste instantie worden gedacht aan secundaire slachtoffers, die vaak deel uitmaken van zogenoemde ‘communities of support’, zoals familie, vrienden, sportvereniging, andere vrijwilligersorganisaties, eventueel religieuze verbanden, buurtgenootschappen, enzovoort. Vervolgens is het ook van belang om vertegenwoordigers van de lokale gemeenschap die geen direct belang hebben bij het conflict, te betrekken in het proces. Ten slotte kan in het geval van bepaalde soorten vergrijpen of misdaden worden gedacht aan vertegenwoordigers van zogeheten ‘communities of interest’, bijvoorbeeld bij vergrijpen met een racistisch motief kan worden gedacht aan anti-discriminatiegroepen. Het ligt voor de hand om slachtoffers een stem te geven in het samenstellen van een delegatie vertegenwoordigers van betrokken of belanghebbende netwerken.

      Kirkwoord en Hamad (ibid., p. 407) hebben ook helder onder woorden gebracht welke rol genoemde vertegenwoordigers van verschillende netwerken moet worden toebedeeld in herstelrechtelijke procedures. Deze leveren niet alleen een bijdrage aan het vaststellen van de wijze waarop beschadigde relaties tussen dader en slachtoffer kunnen worden hersteld, in het bijzonder wat een dader moet doen om ook de morele dimensie van sociale relaties te herstellen. Daarnaast benadrukken Kirkwood en Hamad dat niet alleen relaties met de dader, maar ook met diens direct betrokken netwerken moeten worden hersteld, en dat het wijdere netwerk rondom slachtoffers ook voordeel moet hebben van de beoogde reparatie van ontstane schade in de morele dimensie van de betreffende relaties. Ten slotte moet de procedure ook nadrukkelijk beogen om een succesvolle re-integratie van een dader als een positief lid van de samenleving mogelijk te maken.

      Het spreekt voor zich dat herstelrechtelijke procedures moeten worden begeleid door professionals, omdat niet van alle vertegenwoordigers van sociale netwerken, en zeker niet van direct betrokkenen, kan worden verwacht dat ze zonder last en ruggespraak een creatieve en constructieve bijdrage kunnen leveren aan het vormgeven van een hersteloperatie waarin alle betrokken partijen zich kunnen vinden. Wij sluiten ons aan bij het voorstel om deze taak toe te bedelen aan de reclassering, mits deze dienst onafhankelijk van politie en justitie wordt opgezet om de indruk van repressieve controle en een overdaad aan procedurele controle te vermijden.

    • 6 Conclusie

      In dit artikel hebben we laten zien dat de discussie over de rol van ‘de gemeenschap’ in het uitvoeren van herstelrecht al decennia wordt gevoerd in de rechtsantropologie. De centrale vraag daarin is hoe geschilbeslechting zoals die plaatsvond in kleinschalige, niet-westerse samenlevingen inspiratie kan bieden voor de uitvoering van herstelrecht in hedendaagse, postmoderne netwerksamenlevingen. Een belangrijk inzicht in deze culturele vergelijking is dat collectieve geschilbeslechting in niet-westerse samenlevingen ook een belangrijke bijdrage leverde aan het vormen en herijken van gemeenschappen, die altijd een meer open karakter hebben gehad dan lang is aangenomen. In die zin vertonen ze ook belangrijke overeenkomsten met het open karakter van de sociale netwerken die karakteristiek zijn geworden voor hedendaagse samenlevingen. Om geschilbeslechting met behulp van herstelrechtelijke procedures in goede banen te leiden zou de reclassering een coördinerende functie kunnen worden toebedeeld, maar deze dienst dient dan wel een meer onafhankelijke positie te krijgen van politie en justitie. Alleen dan kan worden gewerkt aan het repareren van de morele schade in sociale relaties, waardoor ook het vertrouwen van alle betrokkenen en belanghebbenden kan worden hersteld.

    • Literatuur
    • Boyes-Watson, C. (2019). Looking at the past of restorative justice: Normative reflections on its future. In T. Gavrielides (Red.), Routledge international handbook of restorative justice (pp. 7-20). London: Routledge.

    • Brugge, W. van der (2019). Herstelgericht werken in Europa in de lift. Tijdschrift voor Herstelrecht, 19(2), 3-5.

    • Castells, M. (1996). The information age: Economy, society and culture; Volume I: The Rise of the Network Society. Oxford: Blackwell.

    • Christie, N. (1977). Conflict as property. British Journal of Criminology, 17(1), 1-15.

    • Claessen, J. (2022). Herstelrecht: de kunst van een geëmancipeerde misdaadaanpak. Den Haag: Boom juridisch.

    • Claessen, J. & Hoek, A. van (2022). Herstelrecht oftewel restorative justice: Een introductie voor deskundigen en experts uit verschillende vakgebieden en domeinen. In J. Claessen & A. van Hoek (Red.), Herstelrecht door de ogen van… Reflecties op ‘Restorative Justice’ vanuit 27 verschillende perspectieven (pp. 47-63). Amsterdam: Boom.

    • Danzig, R. (1973). Toward the creation of a complementary, decentralized system of criminal justice. Stanford Law Review, 26(1), 1-54.

    • Felstiner, W.L.F. (1974). Influences of social organization on dispute processing. Law & Society Review, 9(1), 63-94.

    • Fukuyama, F. (2008). The end of history and the last man. New York: Simon & Schuster.

    • Giddens, A. (1971). Capitalism and modern social theory: An analysis of the writings of Marx, Durkheim and Max Weber. Cambridge: Cambridge University Press.

    • Gluckman, M. (1955). The judicial process among the Barotse of northern Rhodesia. Manchester: Manchester University Press.

    • Haan, W. de (1990). The politics of redress: Crime, punishment, and penal abolition. London: Unwin Hyman Ltd.

    • Hillery, G.A.J. (1955). Definitions of community: Areas of agreement. Rural Sociology, 20(2), 111-123.

    • Hillery, G.A.J. (1959). A critique of selected community concepts. Social Forces, 37(3), 237-242.

    • Kirkwoord, S. & Hamad, R. (2019). Restorative justice informed criminal justice social work and probation services. Probation Journal, 66(4), 398-415.

    • Kuper, A. (1988). The invention of primitive society: transformations of an illusion. London/New York: Routledge.

    • Lowy, M.J. (1973). Modernizing the American legal system: An example of the peaceful use of anthropology. Human Organization, 32(2), 205-209.

    • Maglione, G. (2019). Pushing the theoretical boundaries of restorative justice: Non-sovereign justice in radical political and social theories. In T. Gavrielides (Red.), Routledge international handbook of restorative justice (pp. 21-31). London: Routledge.

    • Meijl, T. van. (2022). Herstelrecht in een multiculturele samenleving: Een cultureel antropologisch perspectief. In J. Claessen & A. van Hoek (Red.), Herstelrecht door de ogen van… Reflecties op ‘Restorative Justice’ vanuit 27 verschillende perspectieven (pp. 257-73). Amsterdam: Boom.

    • Merry, S.E. (1992). Popular justice and the ideology of social transformation. Social & Legal Studies, 1, 161-176.

    • Rosenblatt, F.F.R. (2015). The Role of Community in Restorative Justice. London & New York: Routledge.

    • Shah, S. & Stauffer, C. (2021). Restorative justice: Taking the pulse of a movement. In T. Lewis & C. Stauffer (Red.), Listening to the movement: Essays on new growth and new challenges in restorative justice (pp. xv-xxxii). Eugene: Cascade Books.


Print dit artikel